New York Tales (Dag 4) – De Bron

Maandag 21 december 2015 (de kortste dag van het jaar)

 

Op zoek naar de Bron volgen wij de weg die Bruce volgde maar dan, Spookrijders-eigen, andersom. Dus vanuit New York ríchting Freehold.

Het lied Does This Bus Stop At 82nd Street? verscheen in 1973 op het album Greetings from Asbury Park, N.J. (vierde nummer, kant A), maar ook al speelt het lied zich af in Spanish Harlem in New York, toch beleef ik al zo’n dertig jaar voorpret aan de gedachte om een buschauffeur ooit ergens in de staat New Jersey direct aan te kunnen spreken met de openingsregels (inclusief de titel) van dit even onbekende als ondergewaardeerde lied.

 

 

Omdat spontaniteit mijn doodgeboren kindje is, had ik het citatendraaiboek al weken daarvoor uitgedraaid. Thuis dus. Op een doordeweekse avond:

Rit 1: New York City Port Authority Terminal naar Freehold New Jersey

Vraag aan chauffeur tijdens het binnenrijden van Freehold: “Does This Bus Stop At 82nd Street?”

Rit 2: Van Freehold NJ naar Asbury Park NJ

Doe een joviaal gebaar naar de chauffeur bij het verlaten van zijn bus: “Hey bus driver, keep the change”

Rit 3: Van Asbury Park NK naar New New York City Port Authority Terminal

Druk chauffeur de hand en geef hem het advies “Bless your children, give them names”

 

Ik had het kaartje van de staat New Jersey uitgeprint. Met een liniaal en een rode fijnschrijver trok ik drie kaarsrechte strepen die de ritten moesten verbeelden. Er ontstond een haast gelijkbenige driehoek – de kronkelige Jersey Shore vormde de enige dissonant.

De eerste kans om Bruce te citeren had ik al gemist. Freehold bleek een te klein stadje om überhaupt een 82nd Street te herbergen, zo schatte ik toen de grijsharige buschauffeur zijn bus (kenteken OYA8754) Throkmorton Street opdraaide. Bij het treinstationnetje stapten we uit.

Ik wist zeker dat Freehold zou voldoen aan mijn verwachtingen. Dat had de weg náár Freehold namelijk ook al gedaan. Amerika is als een film waarin de alledaagse realiteit meer op de Hollywoodse schijnwerkelijkheid lijkt dan andersom.

Om de muziek van Bruce Springsteen ten volle te begrijpen (beter nog: te voelen) mag ik u graag buslijn 139 adviseren: de bus van New York naar Freehold. De grootsheid van New York komt pas echt tot uiting als de bus, na de Lincoln Tunnel, de eilandtong Manhattan heeft verlaten en de Interstate 95 richting Newark kiest.

De Interstate 95, in zijn geheel lopend van Maine tot aan Florida, biedt een verbluffend fraai uitzicht op de majestueuze hoogbouw van Manhattan: hét doel van de jonge Bruce Springsteen die in de jaren zestig ten koste van alles het bescheiden arbeidersstadje Freehold wilde verlaten om als artiest zijn geluk te beproeven in New York City. Vanaf de Interstate 95 ziet de hoogbouw van Manhattan er, op z’n Walt Disney’s, sprookjesachtig uit.

In 1973 schreef Bruce New York City Serenade: een twaalf minuten durende ode aan de stad die zijn carrière lanceerde.

De bus doorkruist de grijze, grauwe, grijsgrauwe petrochemische industrie van Newark. Enige fleurigheid wordt geboden door de duizenden opeengestapelde zeecontainers. Treinen slepen stapvoets donkerbruine containers voort. Het desolate decor lijkt in alles op ons Botlekgebied langs de A15, alleen heeft Pernis geen vliegveld.

Tegen de bleke winterzon tekenen de contouren van een vliegtuig zich af. Een pick-up truck heeft pech. De bestuurder, een Amerikaan met een hoekige kin, zonnebril, paarse wangen, een New York Yankees baseballpet en een geblokt houthakkershemd, staat als zijn eigen volmaakte gemeenplaats naast zijn auto te bellen. De setting is perfect. De man wordt aangestaard door een Nederlandse man met bril in de nu passerende bus.

In Amerika figureert iedereen in elkaars speelfilm.

Aan de verre horizon is nog een reepje Manhattan zichtbaar. Hier moet Bruce Springsteen hebben staan kijken naar de enorme rookwolken nadat twee gekaapte vliegtuigen zich in de Twin Towers hadden gestort.

“We need you man”, moet een passant hebben gezegd.

Bruce schreef vervolgens The Rising. De wederopstanding. De wedergeboorte die ik alleen in Amerika ervaar. Telkens weer.

 

“Where can we find South Street please Sir?”, zo moet de uiteindelijke vraag van Jeremy hebben geluid aan de verder niet zo spraakzame chauffeur. Ondertussen vroeg ik de humeurige Indiase uitbater van het stationswinkeltje van Freehold naar de bustijden van Freehold naar Asbury Park. Eerlijk is eerlijk: we hadden er misschien beter aan gedaan om uren te wachten op de bus. Dan hadden we pas écht de leegte gevoeld die Bruce jarenlang moet hebben ervaren.

“South Street is echt vlakbij, friend!”, zei Jeremy me toen ik de deur van het winkeltje achter me sloot.

“Half één”, antwoordde ik hem.

Zo structuurloos verlopen gesprekken met mij wel vaker als ik in gedachten ben. Ter illustratie: als Anita me vraagt of ik koffie wil terwijl ik bezig ben aan een verhaal, wil ik nog wel eens in half-zinnen antwoorden als “om de tuin heen!” of “zij trok de haren uit haar hoofd”. Pas uit de verbaasde reactie van Anita leid ik dan af dat ik iets totaal idioots moet hebben geantwoord.

Op de West Main Street sloegen we rechtsaf de South Street in. Omdat we thuis al foto’s uit diverse Bruceboeken hadden gekopieerd, herkenden we al snel het Villa Kakelbontachtige huis waar Bruce grotendeels in opgroeide.

Terwijl ik het huis nader komt het gezin Springsteen in mijn verbeelding tot leven. De orgel van My Hometown klinkt op de achtergrond. Op de porch van hun huis aan 68 South Street leest vader Douglas Frederick “Dutch” Springsteen, een norse man van Iers-Nederlandse komaf, zijn krant. Moeder Adèle kookt. Italiaans. Uiteraard. Dochters Pamela en Virginia spelen in de achtertuin. Te luid, naar de zin van Douglas die zijn dochters tot kalmte maant. Hij kan zich niet concentreren op zijn krant.

“Adèle, tell Bruce to stop playing that fucking guitar all day long! Tell him to come outside, won’t you?”, schreeuwt hij over zijn schouder het huis in.

Hij smijt zijn krant op de houten vloer van de veranda en vertrekt, zonder iets te zeggen, naar Barber Shop Joe’s aan het begin van South Street. Er zit Douglas iets dwars, maar niemand van het gezin durft ernaar te vragen.

In iedere man die ik ken houdt zich een Douglas schuil.

Freehold is een stadje dat vooral door latino’s en afro-Americans wordt bewoond. Men heeft geen notie zo dichtbij de Bron te leven.

De Bron die wij volgen. Ik vermoed dat zelfs zijn scheten prettig ruiken en zijn afstotende haarimplantaten vergeven wij hem graag.
In negentien (Fabienne), zestien (Estelle) en tweeëneenhalf (Jeremy) jaar tijd hebben wij onze kinderen nog gekker gemaakt dan hun ouders zijn. Dat dat gevoel verder gaat dan alleen zijn muziek moge blijken uit het feit dat in deze korte vakantie één volle dag is opgeofferd aan dit bezoek aan Freehold en Asbury Park, onze volgende halte.

 

 

“Zijn dit die Mansions on the Hill waar Bruce over zingt, pap?”, vraagt Estelle mij in de bus van buslijn 836. We rijden over Park Avenue, Freehold. Links en rechts doemen schitterend gekleurde huizen op alsof Anton Pieck hier de architect is geweest.

“Klopt schat.”

Hier houdt iedere vergelijking met Douglas Springsteen op. Douglas, diep ongelukkig als fabrieksarbeider en later als buschauffeur, hield er de vreemde gewoonte op na om op zondagen zijn gezin in zijn tweedehands auto te laden om erop uit te trekken om ‘mooie huizen te gaan bekijken’. Daar rijden ze. De Springsteens. Douglas sommeert zijn gezinsgenoten te zwijgen, omdat mooie huizen in stilte geadoreerd moeten worden. Zelfkastijding dus. Een beetje Feyenoordfan herkent dit.

 

Om heel eerlijk te zijn heb ik op dit moment geen associaties met Mansion on the Hill. Dit komt door de medepassagiers in deze bus: enkele luidruchtige negroïde medemenschen, overduidelijk onder invloed van alcohol en drugs. Eén ervan zoekt constant contact met ons. Schreeuwend. Dwingend.

In de rol van Douglas heb ik mijn gezin op de achterste rij van de bus neergezet, zodat niemand ongewenste buren naast zich of haar te dulden heeft. Het is natuurlijk een bespottelijk gezicht. Douglas Springsteen? Clark W. Griswold eerder, de glansrol van Chevy Chase als melancholische vader van het gezin Griswold uit de legendarische National Lampoon Vacation serie, wiens goede bedoelingen door eigen onhandigheid en de onafwendbare speling van het lot zo vaak averechts uitpakken.

Clark W. Griswold staat het dichts bij mijn vaderrol, en die constatering was lange tijd nogal pijnlijk.

De luidruchtige medepassagiers blijken voorbodes voor hetgeen Asbury Park te bieden heeft. En zo komen we uit bij het begin van dit verhaal.

“Hey bus driver, keep the change”, wordt het dus niet. Had ook nergens op geslagen want de kaartjes waren al netjes afgerekend bij de chagrijnige Indiase winkelier in Freehold. Ik betaalde bewust gepast, omdat ik een gemiddelde Indiër de “keep the change” gedachte als laatste gun.

“We’re looking for the Asbury Park Boulevard Sir. The Jersey shore?”, vraag ik de donkere buschauffeur wiens onregelmatige gebit mijn afschuw wekt. Enkele knoopjes van zijn hemd staan onder hoogspanning. Hij draagt een fluoriserend hesje en zijn platte dienstpet zit scheef.

“The whát?”

“The Boulevard Sir. You know. At the seaside?”

“Seaside. Ah! That will be thát way over there…”, hij wijst naar de uitgang van zijn bus, “but there ain’t no street called Boulevard or som’thing…”

 

In de hal van het Asbury Park Transportation Center zitten enkele daklozen bijeen. Eentje drinkt uit een fles waar een bruine papieren zak omheen gewikkeld zit. Zijn rechterbuurman schreeuwt iets naar de grond. Er zit speeksel aan zijn mondhoek.

Love On The Wrong Side Of Town. Ineens valt dit nummer van Southside Johnny op zijn plaats. Heel Asbury Park is één grote wrong side of town.

Verval. Daar waren we naar op zoek in Freehold. En in Asbury Park. Verval herkende Bruce bij zijn vader en verval vormde de grootste bron van motivatie van de jonge Bruce om naar New York te togen. We worden op onze wenken bediend in Asbury Park. Het is nog troostelozer dan in onze verbeelding.

We lopen over Cookman Avenue richting Ocean Avenue dat ik net nog met veel poeha the Asbury Boulevard noemde.

Ik ben nog nooit in New Jersey geweest maar alles voelt vertrouwd. Net zo vertrouwd als Bruce zelf: mijn allerbeste vriend met wie ik nog nooit een biertje dronk…. een cliché dat voor echt álle fans geldt, maar wel waar, zoals elk cliché waar is, anders zou het geen cliché zijn.

Daar staat de oude vervallen Casino waar de film City by the Sea (2002) van Robert de Niro zich grotendeels afspeelt. Maar ik voel dat ik langzaam de volgende videoclip van Bruce binnenloop. Atlantic City.

 

 

Hier sta ik. Op de Ocean Boulevard in het armzalige Asbury Park. Heilige grond voor Bruce fans. Hoe vaak moet Bruce niet de bus hebben gepakt vanuit Freehold om te gaan surfen aan de stranden van Asbury Park. Zoenen zal hij al in Freehold hebben gedaan, maar achter het uit 1920 stammende Casino zal Bruce voor het eerst een wip hebben gemaakt. Het is haast alsof ik het ruik.

Hier hield Bruce zich schuil voor de buitenwereld die hem wilde strikken. Het meest tastbare voorbeeld was zijn oproep voor militaire dienst. Bruce was als de dood dat hij naar Vietnam zou moeten. Ondertussen kon Douglas niet wachten tot zijn enige zoon het leger zou moeten dienen (“wait until the army gets you, they’re gonna make a man out of you…”).

In de laatste avond voor zijn keuring toog Bruce samen met zijn maten “Southside” Johnny Lyon en “Miami” Steve van Zandt (“Miami” genoemd omdat hij ooit met zijn ouders in het onbereikbaar geachte Miami was geweest) naar deze Jersey Shore om zijn angst weg te drinken.
Het is allemaal vereeuwigd in het inleidende verhaal van The River. Een must-hear voor vaders en zonen die elkaar liefhebben.

Bruce vervulde zijn militaire dienstplicht uiteindelijk niet en ook ik was jaren later, we schrijven 1993, weer solidair met hem. Ook mijn vader wilde dat ik dienst in zou gaan. Heden en verleden hebben zich in het oude Casino verzameld. Net als in het Casino bepaalt God het lot.

Ik houd mijn adem in als we verder lopen. Ik knijp in Anita’s hand. Rechts de Atlantische oceaan. In de donkere ruimtes van de gesloten restaurantjes links staan omgedraaide strandstoeltjes op de tafels gestapeld. Bijna vijfentwintig jaar geleden zong ik op zaterdagavonden Jersey Girl voor Anita. Op straat. Het origineel is van Tom Waits maar ik waagde me aan de uitvoering van Bruce.

We speelden het één keer met de band The Night Moves. Het was een donderdagse oefenavond in een bedrijfspand onder de rook van De Kuip. Tijdens het tweede couplet brak ik. Mijn inlevingsvermogen was zo groot dat ik, door verdriet verlamd, niet verder kón. Ik voelde de intense pijn van verliefdheid tot op het bot, ook al kwam Anita niet uit Jersey. Ze komt uit Rotterdam-Lombardijen.

 

Tegen de witte wanden van het legendarische rockcafé Stone Pony maken we foto’s. Alles is gesloten deze maandagmiddag. Ik kan nog altijd niet geloven dat ik ben wíe ik ben, laat staan dat ik ben wáár ik ben. God weet hoeveel bootlegconcerten uit de Stone Pony ik inmiddels heb verzameld van Bruce en Southside Johnny. En daar, dáár vlak naast de even legendarische maar qua omvang zeer bescheiden Wonder Bar, waar wereldster Bruce in juli van dit jaar nog optrad, staat het huisje van Madame Marie: een icoon in de Rockhistorie sinds Bruce aan haar refereerde in 4th of July Asbury Park (Sandy):

“well the cops finally busted Madame Mary
for telling fortunes better than they do…”

                (v.a. 5m:34s)

 

Voor de gesloten deur van Stone Pony post ik een foto op de Facebookpagina van Tramps of the Lowlands, de fanpagina van Bruce fans. Johan de Vrij, een alerte Bruce fan, geeft me direct de tip om de deur rechts te proberen. Gewoon aankloppen. Zeggen dat je uit Holland komt. Ik bedank Johan voor de tip en even later gebeurt wat er zonder Johan níet was gebeurd.

We staan binnen.

Stone Pony is van binnen groter dan het van buiten lijkt. Net als mijn hart.

“Hier hangt-ie pap!”, roept Estelle me.

Recht tegenover het podium is het slikken geblazen. Want daar, tussen al die tientallen andere gitaren, hangt de zwarte Fender van The Boss. Met handtekening. Krantenkop: volwassen man als kind zo blij in Stone Pony. Subtitel: He knows it’s only Rock & Roll, but he likes it.

 

Ook al ben ik hier nog nooit geweest, toch word ik steeds meer mijn eigen verleden ingezogen. In het Paramount Theatre en de Convention Hall, net als het Casino in de jaren twintig van de vorige eeuw gebouwd, overvallen de herinneringen me als een horde wilde mustangs terwijl mijn beide voeten in een blok beton verankerd zijn.

In ‘The Paramount’ oefent Bruce nog altijd met zijn E-Street Band voordat hij op tournee gaat. In een indringende reportage tekende de journalist ooit op hoe Bruce zich hier, in dit lege theater, voorbereidde op de tour. Met de ogen dicht zag Bruce hoe het bomvolle San Siro stadion in Milaan tot explosie kwam. Een explosie van vreugde en hoop.

Les één van de cursus “Hoe Laat Ik Een Lege Zaal Meezingen”….Dream Baby Dream

Het gebeurt mij ook. Want ik hóór hem. En ik voel hem. Als nooit tevoren. Omdat mijn fantasie rijker is dan welke vorm van realiteit dan ook.

In het midden van de hal tussen The Paramount en de Convention Hall sluit ik voor een moment mijn ogen. En maak ik rondjes. Er gebeurt van alles in mijn hoofd. Ik glimlach. Want ik zie dat het oudejaarsavond is bij ons thuis. En ik hoor Bruce zingen. Ik zie de ronde gezichten van mijn familie en vrienden. The Promised Land staat op. Mister I ain’t a boy, no I’m a man, and I believe in The Promised Land.

Daarna heb ik de gewoonte om, mijn broer en zus omhelzend, het hele afgelopen jaar uit mijn gestel te janken. Ja, op een doorsnee oudejaarsavond trekt Bruce de hele boel open om een slagveld achter te laten.

Uren later heeft hij zichzelf opgesloten in de badkamer van kamer 316 van Hotel Belleclaire op de hoek van 77th Street en Broadway.
Precies vandaag, de kortste dag van het jaar die aanvoelde als de langste, voelde hij hoe het is om de zoon van een kwetsbare vader te zijn.

Tegen de huilende moeder aan de telefoon had de zesenveertig jarige zoon zojuist geen weerstand.

“Well Papa, go to bed now, it’s getting late
Nothin’ we can say is gonna change anything now”

 

[Klik op de afbeelding voor een vergroting]


 (Fotografie Fabienne – Jeremy – Marco)

 

 

Tagged under:

Spookrijden. Achteruit rijdend, met het verkeer mee. Geen paniek, want It's Life And Life Only. Windje tegen, de Brug op. Fietsen als een forel. Met een harslaag over mijn wortels. De B-kant van een singletje. En de terugweg. De schoonheid van verval. De Paus handje drukkend met Joop Zoetemelk. De film met de geruststellende gedachte aan de slechte afloop. De laatste lik pindakaas, Tammy Wynette op, Feyenoord nooit meer kampioen. En splinters, overal splinters. In onze gespleten stad. En Broes (tegen de kou). Meegezogen, vuistdiep, die trechter in. Hij. Zij. Wij. Spookrijders.

2 Reacties

  1. R.Hendriks Antwoord

    Een boek had me niet meer kunnen boeien. Prachtig hoe jij, Anita en je gezin meegaan in je super-fan zijn van BRUCE. Dat is mooi en ontroerend om te lezen. Mooie foto`s, goed voor een reisfolder

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Log In or Sign Up