Manneke Pis-Niet (1/2)

 


De Gemeente Rotterdam heeft de wens uitgesproken de Grand Départ van de Tour de France 2023, 2024 of 2025 naar de havenstad te halen.

Om die ambitie kracht bij te zetten fietste op vrijdag 5 juli 2019, onder leiding van Wethouder van Sport Sven de Langen en Lars van den Broek van wielerevenementenbureau Koers is Koers, een select gezelschap van Rotterdam naar Brussel.

Tien dagen daarvoor, op dinsdag 25 juni 2019, ondernamen Lars en ik ter verkenning een inmiddels legendarisch geworden fietstocht.

Die dinsdag 25 juni 2019 zou de boeken ingaan als de warmste dag óóit gemeten in Nederland en België….

 

***

 

‘Lekker man. Jouw weer’, zei Lars bij vertrek op de Coolsingel waar ik voor het bordes een selfie van ons tweeën nam. Om de grootsheid van het Stadhuis op de foto te krijgen moest ik mijn iPhone laag houden hetgeen glamourboy Lars ontlokte tot de uitspraak “doe maar niet, dan krijgen we zo’n onderkin.”

Even later waren we onderweg.

We omzeilden omzichtig de bouwstellages op de Coolsingel. Lars volgde op zijn Garmin de door hem uitgestippelde route en ik volgde hem gedwee. We fietsten als een getrouwd stelletje langs de altijd gezellig drukke A16 richting Zwijndrecht, Dordrecht en de Moerdijkbrug.

‘Lekker man, dat warme windje in je gezicht’, zei Lars nog vol goede moed. We hadden een uurtje gefietst.

‘Da’s de wind van God die zwaar getafeld heeft’, antwoordde ik gevat, nog niet wetend wat een helse rit ons te wachten stond.

In de buurt van Rucphen, geen toeval want de naam deed denken aan de warme valse lucht van onze Lieve Heer, stopten we om een pannenkoek afkomstig van de goddelijke handen van Mevrouw de Spookrijdert te verorberen.

Met een halve pannenkoek uit de mond hangend deden we in de berm van Rucphenseweg, zo zou later blijken, een allerlaatste plas.

Iets over het middaguur bereikten we Nederlands-Belgische de grens waar mijn Garmin aangaf dat we de 40 graden grens waren gepasseerd.

40 Graden Celsius welteverstaan, vernoemd naar de Zweedse astronoom Anders Celsius, en dus niet 40 graden Farenhout, genoemd naar de Nederlands Kampioen Wielrennen Elite Zonder Contract 2004.

Lars had thuis een lunch berekend in Ekeren, een voorstadje van Antwerpen, maar er zouden vandaag gegarandeerd slachtoffers zijn gevallen als we daar de lunch hadden genoten. Ekeren bleek een kleine miscalculatie: te ver op een te laat tijdstip. En dus stopten we noodgedwongen ter hoogte van Kalmthout, de woonplaats van Michael Boogerd, voor een hapje, een drankje en een niet-plas.

‘Hey Boogie! Lars hier. Luister eens. Ik ben nu in jouw Kalmthout. Waar kan je hier lekker lunchen?’

Boogie zou de volgende tien minuten nog drie keer worden teruggebeld door Lars (“…hi man ja sorry ben ik weer…”), want de naam van het door Michael getipte restaurant, Heidestatie, wilde door hitte en vochtgebrek maar níet beklijven in de broeiende hersenen van Lars.

‘Mogen wij beiden een liter Cola?’, luidde de bestelling dan ook op het bloedhete buitenterras van Restaurant Heidestatie. De felle zon teisterde het poreuze textiel van de parasol.

‘Wablief?’

‘U hoort het goed. Een liter Cola graag. IJskoud. En voor mijn maat hier hetzelfde.’

We dronken ons misselijk aan de cola en, in alle eerlijkheid, de keuze voor de opgewarmde appeltaart met het bolletje ijs en slagroom bleek, gezien de tropische temperaturen, niet de juiste. De samenklontering van ijskoude cola, romige appeltaart, smeltend caramelijs, vloeibaar geworden slagroom en lauw bidonwater bracht een weeïg gevoel teweeg rondom ons middenrif. Ik durfde niet te flatuleren omdat ik niet zeker was van de inhoud van maag- en darmstreek. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik me zou vergissen in gasvorming of buikloop.

Maar we moesten door.

Uiteraard zonder te plassen want de urine kwam er vandaag in zweetvorm uit. De toertocht wacht immers op niemand en Brussel was nog ver. We voelden ons als de heroïsche boden van Rotterdam, die in de geest van Phidippides (u weet wel, de koerier die van Marathon naar Athene rende om de eindoverwinning over de Perzen te melden), naar Brussel togen om de speciale delegatie van 5 juli 2019 aan te kondigen.

Wellicht wordt, net als de Marathon, onze fietstocht Rotterdam-Brussel ooit een wielerklassieker genoemd “De Lars”.

Nu waren Lars en ik op zich wel iets gewend. Een krappe twintig dagen hiervoor beklommen we zij aan zij zes keer de Alpe d’Huez, maar we moesten beiden erkennen dat déze tocht van Rotterdam naar Brussel, in déze verschroeiende hitte, zes keer zwaarder aanvoelde dan zes keer de Alpe beklimmen.

De seconden voelden als minuten, de minuten als uren, de uren als dagen.

De gesprekken stokten. De zon werd heter, de schaduw werd schaarster.

Levensreddende vragen kwamen er in vloekvorm uit: waar waren de bomen, tankstations en supermarkten gebleven?! En waarom waren alle terrassen gesloten op dinsdag?!

Ja nee okay, bij het treinstation van Duffel was er een café open dat luisterde naar de naam ’t Stationneke waar we maar weer een Cola bestelden. De uitbater nam ons geld in ontvangst zonder een woord met ons te wisselen. De flesjes bleven plakken aan de schuin staande tafel. De warme wind van God blies de as uit de overvolle asbak op onze kleding. De nasmaak van de mierzoete cola bleef als uitgekauwde kinderkauwgom in onze verhemelten plakken.

We durfden onze bidons niet te vullen met water, uit angst voor scheurbuik, gele koorts of malaria. We waren twee piraten op zee met plasproblemen. Eenmaal in de open natuur trachtten we onze blazen te legen, maar we konden schudden, aansporen, omwentelen, kietelen, liefdevol toespreken, duwen en trekken wat we wilden: er kwamen slechts enkele druppeltjes uit onze plasbuizen.

Ze vielen neer op de dorre bodem die mij aan de Sahel deed denken.

We gingen verder en waren mijn lekke band van een dik anderhalf uur geleden in Antwerpen alweer vergeten. Tenminste, ik probéérde het beteuterde gezicht van Lars te vergeten toen ik hem zei dat ik geen gereedschap bij me had.

‘Ook geen inbus?’, vroeg hij me, ‘toch wel een inbus?’

Ik durfde hem niet te zeggen dat ik eigenlijk niet wist hoe een inbussleutel eruit zag. Was dat zo’n vierkant ding? Of zeshoekig? En als je hem had, wat kon je er eigenlijk mee doen?

Lars wist nu toch onderhand wel dat ik een romanticus was. Zo eentje die leeft van Tour de France feitjes waar niemand dan ook maar íets aan heeft. Your useless and pointless knowledge noemde Bob Dylan dat ooit.

Wist Lars bijvoorbeeld dat de langste touretappe óóit 482 kilometer bedroeg?

Wist hij dat de jongste winnaar ooit naar de naam Henri Cornet luisterde en dat ie in 1904 op 19 jarige leeftijd de Tour de France wist te winnen?

En wist Lars dat zijn goede vriend Maarten den Bakker maar liefst negen keer deelnam aan de Tour en dat hij die hij ook alle negen keren netjes had uitgereden?

Toegegeven… het zijn inderdaad geen feiten waar je iets aan hebt als je met 38 graden Celsius (dat is 100 graden Arthur Farenhout) hevig zwetend in een autogarage de band van je fietsmaat moet verwisselen.

‘Volgens mij voel ik de appeltaart van Boogie opkomen’, zei Lars terwijl hij mijn band oppompte. Ik had nog voorgesteld om dat zelf te doen, maar Lars vertrouwde mij vandaag nog geen rolletje drop toe. Terwijl Lars met een paars hoofd pompte en het zweet alle kanten uitschoot, appte ik Mevrouw de Spookrijdert dat alles goed ging. Dikke druppels transpiratie vielen op het beeldscherm van mijn iPhone.

‘Nee hoor dank u wel, we hoeven geen gebruik te maken van het toilet’, antwoordde Lars beleefd nadat hij zijn handen had gewassen. We durfden onze mannelijkheid amper onder ogen te komen.

Met een volle band en een lege blaas reden we in een halvemaancirkel óm Mechelen heen. En we zwegen. Precies zoals we 19 dagen geleden op de Alpe deden. Het werd stiller en stiller. De zuidertegenwind hield aan.

Ik ritste mijn wielershirt open. Zoals beroepsrenners doen na een splijtende demarrage in een bergetappe van de Tour. Maar bij ons was er geen sprake van een demarrage. Wij stonden bij een half weggevallen afzetlint bij de rivier de Nete.

‘We rijden door, ‘t zal wel OK zijn. Ze zijn gewoon vergeten om het lint weg te halen…’

Maar Vlaanderen is Nederland niet. Vijf kilometer verder bleek het Jaagpad hermetisch afgesloten en moesten Lars en ik het hele stuk weer terug. De zon brandde op onze ruggen, dóór onze doorweekte shirts, dóór onze botten heen om onze ingewanden te kunnen koken (fijn roerbakken, losjes laten sudderen zodat de cola, appelgebak, ijs, slagroom, energybars, gelletjes, pannenkoeken en gekookt bidonwater er overdwars uit kan).

Lars met de betere benen voorop.

Ik met de betere verhalen in zijn spoor.

In Eversem stopten we voor een allerlaatste keer. Cafétaria Baget ontving ons argwanend, een beetje zoals de gemiddelde Belg de gemiddelde Nederlander bejegent omdat wij Nederlanders al snel denken te snel te denken.

Ik bestelde twee blikjes Cola en twee flesjes Chaudfontaine die Lars, ondanks of juist dankzij de hitte, niet langer kwijt kon. En hij kreeg last van een zogenaamd 1.500 meter kuchje. Hij zag er uit als Rintje Ritsma in de nadagen van zijn carrière.

‘Is dit wel goed wat we doen? Waarom hoest ik zoveel? Is dit gezond? Is dit een zonnesteek?’

Hij was compleet naar de kloten. Hij had zijn wielershirt opengeritst. Zijn gezicht zat onder de vegen vervuild zweet, opgedroogd zand en sporen van de Wind van God.

‘Ik ben geen arts Lars. Ik denk dat we… dat je… we…nou ja gewoon nog effies…naar Brussel moeten…. voor Rotterdam…’

Ik keek naar Lars en ik zag ineens een trouwfoto voor me van Chantal met Rintje Ritsma. Ik was aan het hallucineren geslagen. Lars in een schaatspak. Diep zittend. Mooie lange slagen. En Chantal met drie vingers omlaag langs de baan.

We moesten nog maar negen kilometer die, naar mijn weten, de zwaarste negen kilometer uit mijn wielerloopbaan zouden worden. De weg leek alsmaar omhoog te kruipen, het asfalt plakte aan onze banden, we reden door de tropen van het Gewest Vlaams-Brabant, centimeters voelden als meters, meters voelden als kilometers.

‘Hier effe een foto Mar. Leuk. Voor Sven…’, zei Lars toen we rechts het Atomium zagen liggen.

‘OK doen we’, zei ik gespeeld-spontaan. Ik had alle romantiek uit mijn gestel gefietst.

Even later zochten we onze weg door de Brusselse infrastructurele wirwar aan wegen, kinderkopperige straatjes en hobbelige fietspaadjes om uiteindelijk aan te komen bij het President Brussels Hotel waar mevrouw de Spookrijdert ons opwachtte met chips en cola.

Weinig presidentieel vertrouwden we onze uitgeputte lichamen toe aan de straattegels van de Koning Albert II-Laan. Mevrouw de Spookrijdert verkoelde onze oververhitte voeten met ijsblokjes…

Na een half uurtje had Lars zich vermand en toog hij naar de receptie.

‘Ga je mee Mar, voor het geval ze alleen Frans spreken.’

De bretels van onze wielerbroeken hingen slapjes langs onze dijen. We namen niet de moeite om onze rits fatsoenlijk dicht te doen. We stonken een uur in de wind en zagen er gewoon níet uit. En zo meldden we ons bij de receptie: Rintje Ritsma op retour met aan zijn zijde de verstoten neef van Thomas Voeckler (zonder vast woon- of verblijfadres, maar met de bekende tong uit de mond, da’s een familiedingetje).

Gelukkig spraken de twee receptiemedewerksters Engels, althans ze leken het steenkolen Engels waartoe Lars in staat was na een fietsrit van 170 kilometer in de bloedhitte, redelijk te kunnen volgen:

‘Yes. Hello. My name is Lars. I cum frum Holland. Rotterdèm. Hier.’

Hier wees hij op het logo van de Rotterdam Fund Racers.

‘Nekst wiek Fraidee we cum wiz lots of stars frum Duts caikling. Boogie. Maarten ze Baker. Michael and Leon-ten ze Sailer. And Breuk. Eh Broking, of Breaking. And ofkors mister Sven de Tall One. He is ze law keeper (“is dat wethouder Mar?”, vroeg Lars me hier) of ze city of Rotterdem. And nekst wiek wie want to stee hier. Wiz my guests….’

De dame van de receptie keek Lars argwanend aan, gaf hem een kaartje mee van de hotelmanager die morgen gemaild kon worden over ‘ze biemer that also wus nesesserrie bekos wie want to plee e movie toe.’

‘Ging goed he?’, zei Lars eenmaal buiten op de Koning Albert II-Laan.

Het is zo typisch Lars. Ik ken geen grotere ras-optimist die er alles, maar, maar dan ook werkelijk álles voor over heeft, om een fietstocht tot in de puntjes voor te bereiden.

‘Als de Tour nóu nog niet naar Rotterdam komt’, sprak Anita trots toen we eenmaal in de auto zaten, ‘knap hoor van jullie…’

Met een hoofd vol Rotterdamse dromen, blije verwachtingen, liters cola en een compleet leeggefietste blaas lieten we de stad van Manneke Pis Niet achter ons.

Volgende afspraak: vrijdag 5 juli 2019…

 

***

 

FOTOGALERIJ

 

Klaar voor vertrek bij het Stadhuis op de Coolsingel (met dubbele onderkin)

Lars belt met Boogie (“ja sorry met mij nog even…”)

Collaatje Restaurant Heidestatie (Kalmthout)

’t Stationneke (Duffel)

De Nete… afgesloten fietspad of niet…

Eversem, 162 km gefietst

Tropische termperaturen in Eversem

Fotootje voor Sven. Het Atomium!

Brussel bereikt!

 

 

Lees hier deel 2 van de tweeluik: de fietstocht van 5 juli naar Brussel!

 

 

Spookrijden. Achteruit rijdend, met het verkeer mee. Geen paniek, want It's Life And Life Only. Windje tegen, de Brug op. Fietsen als een forel. Met een harslaag over mijn wortels. De B-kant van een singletje. En de terugweg. De schoonheid van verval. De Paus handje drukkend met Joop Zoetemelk. De film met de geruststellende gedachte aan de slechte afloop. De laatste lik pindakaas, Tammy Wynette op, Feyenoord nooit meer kampioen. En splinters, overal splinters. In onze gespleten stad. En Broes (tegen de kou). Meegezogen, vuistdiep, die trechter in. Hij. Zij. Wij. Spookrijders.

1 Reactie

  1. Raymonde Hendriks Antwoord

    Het lijden is jullie aan te zien, een helse te hete tocht, maar als de Tour echt weer naar Rotterdam komt en hier de start zal plaatsvinden, zijn jullie sowieso de mannen die dit met succes hebben voorbereid. Hopelijk zijn jullie plasproblemen ondertussen opgelost.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Log In or Sign Up