ZINGEN IN DE STORM DEEL 7 – De Stropdas van Henk

“Nog altijd kan ik geen stropdas knopen pa. Ik kan dat niet. Ik heb dat ook nooit geleerd, of proberen te leren.”

Het is geen bekentenis, geen excuusbriefje.

Het is 30 maart 2015 en op de Gemeentelijke Begraafplaats Kerkhoflaan spreekt een zoon zijn overleden vader toe. Een stropdas hangt om de nek van de zoon. Niet geknoopt. Het is een statement. Een vreemde aanblik op zo’n moment, maar één die begrip en emotie oplevert als de stropdas wordt geduid in de vader-zoon relatie. Echt bewust is hij zich niet van de honderden ogen die hem aanstaren. Die vochtiger worden naarmate hij zijn verhaal vervolgt.

Nog meer indruk maakt zijn slotzin die alle aanwezigen voelen, maar die de zoon niet uitspreekt:

“En ik zal het nooit meer van iemand anders wíllen leren.”

Portret

 

***

Op 28 februari 1951 ziet Henk Pronk het levenslicht.

“In Den Haag?”

“Nee nee zéker niet. Scheveningen. Op Scheveningen is-ie geboren.”

Gevoelige materie. Scheveningen is geen Den Haag. En het is op Scheveningen.

“Pronk is een echte Scheveningse naam. Eénlettergrepig. Wel zo handig bij het schreeuwen van boot naar boot….’Hey Pronk!’… weet je wel.”

“Mijn grootouders waren ook echte Scheveningers. Trots volkje. Opa Pronk had ruim veertig jaar een visserkraam op de hoek Mient/Appelstraat. Werkte dag en nacht. En Oma Pronk liep in kledingdracht wanneer ze zong voor het Schevenings Vissersvrouwenkoor. Regelmatig hoorde je bij een bezoek een Schevenings woord vallen. Als ik binnen kwam, zei opa –altijd met jenevertje voor zich- hoe is ’t non da? En vaak ging ik er ‘kokebakken’ eten. Pannenkoeken.”

Henk groeide op in een gezin zoals miljoenen gezinnen in de jaren vijftig en zestig leefden. Volwassenen die kinderen kregen. Kinderen die naar school gingen. Vader werkte, moeder bleef thuis. Het leven was te overzien. Vandaag de dag noemen we die overzichtelijkheid met enig dedain de verzuiling.

“Begin jaren zeventig kwam mijn vader mijn moeder Janny tegen. Die was toen zeventien jaar oud. Niet in een disco nee. Dat noemden ze toen ‘dancing’ hahaha.”

Het is voor het eerst dat Bas lacht. Ik ken Bas slechts zes maanden. De eerste woorden die hij tijdens een beklimming van een Limburgse heuvelrug sprak waren “ziet er goed uit man”, gevolgd door de daarna urenlang overheersende gedachte “Jezus wat een lul” omdat ik niets terug zei. Op de racefiets word ik een onbeschoft projectiel zonder manieren, normen noch waarden.

Bas omschrijft zijn vader als handig. Een understatement. Wat in zijn hoofd zat, kon hij maken. Twee rechterhanden. Geduldig. Een man met inzicht. Een groot man, in ieder opzicht. Sterk. Fors. Da’s doorgaans een eufemisme voor corpulent.

“Bouwtekeningen. Bouwadviezen, dat soort werk. Onvoorstelbaar wat hij kon bedenken en maken. Mijn moeder is meer het verzorgende type. Heel sociaal. Tot in het extreme. Een gevoelsmens. Net als ik ben trouwens. Mijn vader was wat introverter in zijn gevoelens, maar tegelijkertijd heel joviaal en altijd klaarstaand voor een ander. Een lieve, goeie man.”

Na die eerste kennismaking verliep het contact aanmerkelijk beter. Ik verontschuldigde me voor mijn lompe gedrag tijdens de fietstocht. Bas’ boek ‘Obsessie’ las ik in één adem uit. Mijn spreekwoordelijke tweede adem bewaarde ik voor de beklimming van de Stelvio. Ik voelde aan alles dat ik mijn alter ego op de fiets had gevonden. Iemand die er maniakale fietstrekjes op nahield. Niet lullen maar fietsen. En dan die heerlijk verwoestende pijn omarmen als een vriend die te lang vast heeft gezeten.

“Op 1 september 1979 is mijn broer Chris geboren. Op 21 januari 1982 kwam ik. Mijn broer is een echte ondernemer. Hij ziet overal kansen. Denkt niet in risico’s of beperkingen. Net als mijn vader, al was dat geen ondernemer maar dat had zo maar gekund. Ik bewonder dat. Ik ben wat behoudender. Ik overweeg alles en maak een gedegen keuze na het afwegen van kansen en risico’s.”

Als ik vraag naar Bas’ wielerachtergrond beginnen zijn ogen te glinsteren.

“Mijn vader fietste ook. Je kent die wielerverhalen waarschijnlijk wel van de vorige generatie, Marco. Ze hebben díe berg beklommen, zónder versnellingen, zónder eten, zónder drinken. Ze waren allemaal Wim van Est volgens mij.”

Ik denk aan mijn vader en moet Bas gelijk geven. Hoe ouder mijn vader wordt, des te harder hij gefietst heeft vroeger.

Wielervrienden

Henk uiterst links

“Hij kocht zijn fietsen bij Gerrit Bontekoe in Den Haag. Een speciaalzaak toen. Gerrit was een persoonlijke vriend van mijn pa. Die zaak bestaat trouwens nog en wordt gerund door zijn zonen. Er hing bij mijn ouders thuis een foto in de gang van mijn vader op zijn racefiets, met zijn maten. Prachtig plaatje, al waren de verhalen sterker. Onder politiebegeleiding van Den Haag naar Antwerpen. Luik-Bastenaken-Luik, met een gemiddelde snelheid waar een prof trots op zou zijn. Koersen in de Pyreneeën.”

Ik zie de foto voor me. Ook als Bas doorpraat. Vol trots. Over de wielercarrière van zijn broer die fietste bij wielervereniging HKS TRIAS. In 1993 werd hij bijna Nederlands kampioen. Een valpartij gooide bij koploper Chris Pronk in de allerlaatste ronde roet in het eten. Chris zat in de jeugd regelmatig bij de beste drie en bij de junioren ook standaard bij de nationale top. Fietsen kon-ie.

“Mijn broer was mijn held. Hij was één brok spier en kracht. Ik had zelf niet veel met wielrennen. Integendeel. Het stond me tegen, juist omdat het zo in het middelpunt stond in ons gezinsleven. We trokken het hele land door om Chris bij te staan. Mijn vader regelde van alles bij de club. Je kent dat wel. De CV, het water, licht, onderhoud aan het clubhuis. Mijn ma draaide kantinediensten.”

“En jij?”

“Ik? De gameboy was mijn beste vriend hahaha.”

Daar zit de achtjarige Bas. Met zijn gameboy. In de kantine. Zijn moeder heeft ook een hekel aan wielrennen vanwege de vele valpartijen van haar oudste zoon. Ze adviseert Bas te gaan kanoën bij de roeivereniging naast HKS TRIAS. Ze is op de hoogte van de stille wens van de jonge Bas. Die droom heeft hij sinds de zomer 1990 toen de WK-special van weekblad Voetbal International op de deurmat van de familie Pronk plofte.

“Toen wist ik wat ik wilde: journalist worden. Bij VI! Ik schreef Johan Derksen op mijn achttiende een sollicitatiebrief. En hij schreef me terug. Die brief heb ik nog steeds. Het was een afwijzing, die begon met ‘Waarde Bas’. Drie jaar later kwam ik er als talentvol sportjournalist alsnog terecht. Johan liet me stage lopen, stuurde me na vier weken naar het buitenland voor een reportage over Sparta Praag en Hertha BSC en na twee maanden kreeg ik een contract. Een droom kwam uit. Maar de praktijk was niet zoals de droom. Het viel me tegen. Feyenoord, waar ik op dat moment als freelancer werkte, bood me een niet te weigeren kans. Ik had twee contracten voor me liggen. En koos voor Feyenoord, tot verbazing van Johan. Ik gaf hem een sigaar van 35 euro, als dank voor zijn kans. ‘Die kan ik met mijn alimentatie niet betalen jongen’. Jaren later kwamen we elkaar tegen. ‘Ah, Bas, met zijn grote bek die als eerste nee durfde te zeggen’. Mooi. Ik had zijn respect verdiend.”

Weer glimmen zijn ogen.

“Dat kanoën werd het ook niet. Ik ging tennissen. Dat kon ik vrij aardig mag ik wel zeggen. Speelde jarenlang toernooien en competitie. Ik werd clubkampioen als vroege twintiger. Maar wat ik al zei: aardig. Niet meer. Weet je, ik heb het nooit van mijn talent moet hebben. Altijd van inzet. Een doel stellen en daarvoor gaan. Als een bezetene.”

Het lijkt alsof ik mezelf hoor en misschien is dat ook zo. De getalenteerde neigt naar luiheid, de talentloze naar overcompensatie. De echte winnaars bivakkeren daar ergens tussenin.

“In 1999 begonnen de eerste gezondheidsperikelen van mijn vader. Lag tie plotseling op de IC van het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft met een dubbele longembolie. Het was zo ernstig dat ik ‘met alles rekening moest houden’. Afscheid nemen dus. Sta ik daar, tikkie aangeschoten want ik had een bijbaantje bij de Gall & Gall hahaha. Sorry niet oneerbiedig bedoeld allemaal, maar zo was het echt. Ik had een slokkie op.”

Henk herstelde maar de longembolie liet zijn sporen na. De ademhalingsproblemen hielden aan. Hij had een verminderde longinhoud van zeker 25 tot 30%.

“De klap kwam ook mentaal aan. Zijn energie was weg. Letterlijk en figuurlijk. Je zag en voelde dat alles hem moeite kostte. Veelzeggend was zijn reactie op mijn ambitie om voetbaljournalist te worden. Hij vond mijn keuze voor de sportjournalistiek te eendimensionaal. En vooral het accent op voetbal leek hem dwars te zitten. Ik zou uiteindelijk cum laude slagen. Hij vond het zonde van mijn talent.”

“Pardon? Dat méén je niet?”

Voetbal eendimensionaal? Ik kom uit een 100% procent voetbalgezin. In ons huis was voetbal heiliger dan de Paus al zal mijn vader dit nooit publiekelijk beamen. Zelfs niet met terugwerkende kracht.

“Mijn pa hield zeker van voetbal. Theo van der Burgh, je weet wel uit dat liedje van Harrie Jekkers, was een persoonlijke vriend van mijn vader. Ze gingen samen naar ADO of FC Den Haag. Ik mocht ook mee. Als jochie.”

“En? Heb jij ook nog gekankerd? Op Theo van der Burgh?”

Het is bedoeld als luchtige grap, refererend aan het klassieke ‘Oh Oh Den Haag’ van Harrie Jekkers, maar het woord kanker is gevallen en daar zijn maar weinig grappen tegen bestand.

“Hij was trots op me toen. Ik schreef voor zeven, acht kranten in die tijd. Elk krantenknipsel plakte hij in. Maar hij wilde niet dat ik me blind staarde op één segment van de journalistiek. Achteraf heeft ‘ie daar gelijk in, bedenk ik me nu. Als voetbaljournalist word je ook een keer 45 jaar, terwijl het nieuwe toptalent 17 jaar blijft. Voetbaljournalist moet je geen werkleven willen zijn, vind ik. Dat is een klein, soms best bekrompen, wereldje. Maar toen was ik dat niet met hem eens en ging ik er met extra motivatie tegenaan. Hem van tegendeel bewijzen.”

“Spookrijdersgedrag.”

“Zeker.”

Hij is bloedserieus. Ik ook. Toen ik in 1993 voor Lex had gekozen en mijn vader zijn bezorgdheid had geuit dat de dagelijkse woonwerk afstand Rotterdam-Eindhoven mij wel eens fataal zou kunnen worden, antwoordde ik:

“Pa, ik houd het altijd één dag langer vol dan jij denkt.”

Henks gezondheid werd er in de jaren 2000 niet beter op. Hij moest bloedverdunners innemen, hetgeen jarenlang resulteerde in darmproblemen en vele bloedtransfusies. Operatie op operatie volgde.

“Ik had erg met mijn vader te doen. Ik werkte die tijd op de communicatie afdeling van Feyenoord. Stukjes schrijven voor het Feyenoordmagazine. Reportages maken voor Feyenoord TV. Ik werd hoofdredacteur toen Michel van Egmond, mijn leermeester en een geweldige vent om onder te werken, naar Voetbal International vertrok. Alle duels was ik erbij, binnen- en buitenland. Ik was enorm ambitieus….tering! Die jaren leefde ik met de wetenschap dat mijn vader niet in goede gezondheid was. We maakten ons allen bezorgd, maar het leven ging door, de jaren verstreken.”

Sinds Bas mij liet weten uit Den Haag te komen, viel zijn Haagsche accent mij extra op. Hoe zeer ik ook van Rotterdam houd, eerlijk is eerlijk: het Haagsche accent is het allermooist. In het Rotterdams klinkt ‘tering’ als een ziekte, in het Haags als compliment.

“In 2008 kwam ik op een vakantie voor het eerst in serieuze aanraking met het fenomeen fietsen. In 2009 kocht ik mijn eerste mountainbike, in 2011 een racefiets. In 2012 reed ik de Amstel Gold Race van 150 km en de Elfstedentocht van 240 km. Onverantwoord, want ik deed met een nagenoeg ongetraind lichaam.”

Hij lacht haast verontschuldigend. Het woord ongetraind staat evenveel tot Bas als ik tot Ajax sta. Tegenover me zit een volledig afgetrainde man met een kale kop die zijn fietsen meer dan serieus neemt. Ik bleef op de 2.740 meter hoge Stelvio lang in zijn spoor. Toen hij van me wegfietste trapte ik me langzaam de waanzin in. Bas veranderde in zijn eigen achterkant. Dat beeld was volmaakt. Sindsdien noem ik hem ploert en hij mij klootzak. We verafschuwen elkaar zolang we maar genadeloos doorfietsen.

“De gifbeker was nog niet leeg. In 2009 overleed zijn moeder en een half jaar later werd prostaatkanker bij hem geconstateerd. Gelukkig overleefde hij ook de prostaatkanker maar ondertussen moest hij mijn opa, zijn vader, ondersteunen. Die arme man ging kapot aan verdriet. Mijn vader was al min of meer afgekeurd voor zijn werk dus had ineens zeeën van tijd.”

“Zijn jullie eigenlijk gelovig?”

“Grappig dat je dit nu vraagt. Mijn grootouders dus wel. Mijn vader bracht mijn opa –naarmate zijn mobiliteit afnam- dus op zondag naar de kerk en zo kwam hij vaker in contact met dominee Karl. Een prachtvent. En omdat Henk natuurlijk handig was en altijd voor anderen klaarstond, ging hij van lieverlee steeds meer klusjes doen voor de kerk. Hij ging ook steeds meer op in het geloof. Zijn leven kreeg een andere wending. Zeker toen mijn opa eind 2011 overleed en hij, na de nasleep ervan, anders in het leven kwam te staan. Gezondheid kwam hoog in het vaandel te staan.”

“Positief toch?”

“Mwah. Ja en nee. Omdat-ie tijd over had ging hij ineens sporten. Op zijn voeding letten. Maar als een bezetene hè. Hij kreeg contact met een personal coach….”

“Maar?”

“Er komt inderdaad een ‘maar’. We herkenden hem soms niet meer. Weet je. Die beperkte longcapaciteit heeft hij steeds als alibi gebruikt. Hij kon zus niet, zo niet. Maar nu bleek dat-ie tóch kon sporten. Tóch kon afvallen. Tikkie pijnlijk voor ons, maar zijn personal coach wist hem dus te raken, waartoe wij blijkbaar niet in staat waren.”

“Misschien juist omdat jullie te dicht bij hem stonden? Misschien had hij juist een derde nodig? Iemand van buitenaf?”

Bas is voor mij zo’n iemand van buitenaf. Hij leert mij met verstand te trainen. Met mate. Met een gedachte erachter. Op het moment dat ik die vergelijking voor zijn voeten wil gooien, gaat Bas door met het verhaal van zijn vader.

“Hij zat soms echt te zeuren over de slechte kwaliteit honing die ik bij de supermarkt kocht. Hij kocht zíjn honing direct bij de imker. Hij! Mijn pa die jarenlang als een Bourgondiër had geleefd en het niet echt nauw nam met het begrip ‘mate’.”

Bas vertelt me over zijn eerste Alpe d’HuZes ervaring. In 2013. Hij fietsend, zes keer, zijn vader en moeder lopend. Die berg op.

“Wat een ervaring. Hij had er de hele dag over gedaan. Hij! Met al zijn gezondheidsproblemen. God wat was ik trots op hem. Daphne liep ook mee. Vier maanden later trouwden we. In september.”

DSC00272

Bas en Henk op Alpe d’Huez. Achter Henk een trotse Janny, de moeder van Bas.

 

Ondertussen was Bas verslaafd geraakt aan het fietsen. Onder meer door zijn nieuwe buurman Robert en door zijn beste maatje Martijn voltooide hij de Alpe d’HuZes en twee keer de Marmotte. Eenmaal met een zilveren medaille, wat als falen voelde. In 2014 moest en zou het goud worden. Dat werd het. En hij viel af. Van 85 naar 73 kilo. Zelfs even in de 71 kilo.

“Wie? Je vader?”

“Nee man! Ik! Maar mijn vader ook. En dat ging veel te hard volgens mijn moeder. Ze vertrouwde het niet. ‘Er ís iets aan de hand, dit is niet normaal’, zei ze maar steeds. Maar wij dachten dat het door zijn veranderde eetpatroon kwam natuurlijk. Niemand maakte zich zorgen. Behalve mijn moeder.”

In het voorjaar van 2014 vond de zoveelste endoscopie plaats. Weer niets gevonden. Op 5 juli 2014 voltooide Bas de Marmotte met een gouden medaille. Hij liet de finishfoto afdrukken en overhandigde de foto op weg naar het ziekenhuis. Zijn vader was trots. Zijn vader. Trots. Op hem! Die kleine scharminkel die goed kon gameboyen, niet kon fietsen maar wilde schrijven. Hij was het altijd al, dat wel. Maar nu was het anders, het voelde bij Bas als oprecht respect voor een geleverde prestatie.

“Het is ook altijd een van mijn persoonlijke drijfveren geweest, Bas. Mijn vader trots maken.”

Ik krijg kippenvel van mijn eigen woorden.

“Klopt. Luister. Op 23 juli 2014 ben ik bij FC Dordrecht. Een prachtig gesprek gehad met de toenmalige voorzitter. Die drukt me een boek in mijn handen, ‘Het Is Zoals Het Is’, van Theo Bos, die voormalig coach van Dordt. Hij stierf in 2013 aan alvleesklierkanker. Een dag later zitten we in de auto naar het ziekenhuis, nietsvermoedend. De afspraak met de dokter. Mijn vader, moeder, Daphne en ik. Het is alvleesklierkanker, zegt ze. Een bom. In de auto terug zegt mijn vader ‘het is zoals het is’. Een dag nadat ik het boek kreeg. Bizar.”

Het is stil in huis. Op de achtergrond klinkt een lied van Simon & Garfunkel. The Sound of Silence. Je verzint het niet, je schrijft het. Fabienne zet thee. Anita staat zwijgend aan tafel.

“Op 24 juli 2014 kreeg-ie het te horen. Alvleesklierkanker. Nog drie tot zes maanden te leven.”

Hello darkness my old friend, I come to talk with you again. Er wordt geboord. Ergens bij de buren. Op TV vangen de laatste acht kilometers aan van Omloop het Nieuwsblad. Het geluid van de TV staat uit.

“Kan je het je voorstellen? Heeft-ie eindelijk zijn passie gevonden om gezonder en bewuster te leven. Eindelijk álle medische ellende overwonnen. Begint-ie zich wat opener op te stellen voor het leven, krijgt-ie dit.”

Bas verwerkte het afschuwelijke nieuws op zijn Bas. Weloverwogen. Met verantwoordelijkheidsgevoel. In zichzelf gekeerd.

“Behalve tegen Daphne. Ik heb wat afgehuild man, die dagen. Dat kan ik alleen bij haar. Ze is mijn maatje, waar ik niet zonder kan. Mijn broer Chris was erg van slag toen hij het hoorde. Mijn vader moest hém troosten. Er ging op de een of andere manier zoveel rust en kracht van hem uit. Ik zie hem nog zo het ziekenhuis uitlopen, hand in hand met mijn moeder. Alsof ze zich meteen berustten in het lot. Zo vredig.”

Je ziet en voelt zijn ouders lopen. Zijn ouders zijn binnen enkele uren tot leven gekomen. Henk lijkt me zo’n type man die je op de vereniging Ome Henk zou noemen. En Tante Janny maakte een tosti voor me klaar. In de kantine. Ze deed er een extra plakje kaas op. Omdat ze mijn sproetjes zo leuk vond.

Bas heeft de laatste levensfase van zijn vader als prettig ervaren. Zich verontschuldigen hoeft hij niet.

“Alles wordt zo intens. Geen bullshit meer. Mijn vader nam mij serieus in mijn keuzes. De fase van becommentariëren was voorbij, hij was een motivator geworden. Ik speelde met het plan om een Fit20 studio te beginnen. De andere kant op met mijn carrière. Mijn vader zei: ‘geloof je erin jongen dat je er een succes van kan maken?’ Ik knikte. ‘Doe het en zeg het als je moeder en ik je kunnen ondersteunen’. Mijn vader, die ooit heel kritisch sprak over mijn keuze, was nu positief over een keuze die veel risicovoller was. Hij was in de keuzes van zijn zoon gaan geloven. Zo voelde dat.”

Bas neemt een slok water. Ik ken hem pas enkele maanden, maar ik begin te twijfelen aan mezelf. En aan hem. Misschien waren wij in een vorig leven wel de broertjes Sietse en Hielke Klinkhamer. Voor sterrenbeeld zijn we immers beiden Kameleon, de Spookrijdende variant. Dus een Kameleon die met zijn omgeving mee kleurt maar zich toch tégen de richting in beweegt. Ik kan uren wakker liggen van dit verontrustende beeld. Omdat het klopt.

“En zo gingen we ook nog naar Londen. En hij volgde míj, en Daphne. Omdat wij het metrosysteem kenden. Gek he. Mijn vader, altijd leidend, liet zijn jongste zoon, opeens de regie bepalen. Hij zag me als een volwassene, niet meer als jongste zoon die alles nog moest leren. En hij bleef maar herhalen….’het is zoals het is’…”

Er werd stilzwijgend een bucketlist opgesteld. ‘Leuke dingen doen’. Er was immers geen tijd meer te verspillen. Ondertussen werkte Bas hard aan zijn boek ‘Obsessie’ dat versneld uit moest komen omdat de ‘drie tot zes maanden’ in Bas’ hoofd bleef rondzingen. Wat er ook gebeurde: zijn vader moest en zou het eerste exemplaar in ontvangst nemen.

Ik denk aan Lex en aan mijn boek Spookrijden. Mijn ambities lagen op een aanzienlijk bescheidener niveau dan die van Bas. Het moest uiteraard een prachtboek worden, maar niet voor in de winkel. Het was het testament voor Lex. Het boek moest af voordat hij zou sterven.

“Een race tegen de klok man. Ik werd er niet goed van. In juni 2014 was ik eraan begonnen. De enige deadline die ik had was mijn vader.”

Het woord deadline maakt in dit verband een noodlanding. Op de eettafel. Precies tussen Bas en mij in.

“In oktober 2014 was het zover. Hier. Kijk. Deze foto. Da’s het eerste exemplaar man…”

DSC_0072 (2)

 

In 2015 verslechterde hij zienderogen. Als een bezetene voltooide hij met een bevriende aannemer nog een krankzinnig mooi konijnenhok (‘een konijnenvilla’) voor dierenfanaat Daphne, uiteraard aan de hand van zijn eigen bouwtekening.

“Die moest af. En hij bleef ook stug doortrainen, die ouwe.”

Konijnenhok
Op zijn Haags klinkt ‘ouwe’ ontroerend mooi. Op zijn Rotterdams klinkt ‘ouwe’ alsof je het gezinsbestek met één gooi in een zinken emmer pleurt.

“Zijn 64e verjaardag op 28 februari was een kantelpunt. Overigens gewoon normaal gevierd met zijn allen hoor, maar daarna ging het snel berg afwaarts. Heel snel.”

Bas’ moeder werkte nog gewoon door als informatrice van een nieuwbouwwijk in Pijnacker. Ze stelde een agenda op omdat Henk continu verzorging nodig had. Onder geen beding zou hij naar een ziekenhuis mogen worden gebracht. Haar eer te na. En hij waardeerde het. Henk en Janny beleefden in die eindfase mooie momenten. “Ze groeiden enorm naar elkaar toe, was ontroerend om te zien. Ik ben trots op mijn moeder dat ze dit aankon.”

DSC_0040

Bas: “‘Als mijn vader ergens gelukkig van werd, was dat het leven op zee. Hier is hij al ziek, maar die dag was hij dat niet. Hij was echt gelukkig”.

“Die dagen waren slopend. Zijn buik ging zwellen. Ken je dat? Van Lex?”

Ja nou. Er zijn nog altijd momenten dat ik dat beeld niet van met netvlies krijg. Maar ook van het lachen. Dat ik op zijn bedrand zat en ik mijn eigen verhalen uit het boek ‘Spookrijden’ aan hem moest voorlezen. Dan gingen we door totdat hij mij van de pijn smeekte om te stoppen. Het lachen werd hem haast fataal.

“Op zaterdag 21 maart 2015 reed ik nog de Joop Zoetemelk Classic. 200 kilometer. Om de 50 km stoppen en kijken of er geen noodbericht was van mijn moeder. Zondag 22 maart samen Milaan-San Remo zitten kijken. Hij had nog kritiek op de tactische keuze van de vluchter die dag, de Italiaan Daniel Oss. Maandag 23 maart had hij een topdag en was hij overdrachtswerkzaamheden aan het doen voor de kerk. Hij kwam zijn bed, sinds het weekend ervoor opgesteld in de woonkamer, zelfs uit. Onvoorstelbaar als je zo terugkijkt. Die avond moest en zou hij in zijn eigen bed liggen. Mijn moeder en hij de trap op. Hoe het is gelukt weet ik niet, maar het lukte. Hij wilde boven liggen. Bij mijn moeder, in zijn eigen bed. Dinsdag 24 maart was een slechte dag. Een héle slechte. Overdag waren de twee jongsten van mijn broer nog bij hem. Hij was heel blij ze nog te zien. Daphne en ik waren er ’s avonds. Ik heb geen idee meer waar we het over hadden. Wel dat ik zei dat ik van hem hield, bij het weggaan. Hij van mij. Dat bleek ons afscheid.”

Ik slik. Bas staart voor zich uit. Aan de horizon wachten zijn twee handen die frunniken aan zijn waterglas.

“Hij was er klaar voor. Het was helemaal op. Op woensdagochtend belde mijn moeder op. Overstuur. Hij leefde, maar keek hol voor zich uit. Afwezig. Levenloos. Chris en ik gingen er snel heen. Hij keek recht door ons heen. De dokter zei dat hij in comateuze toestand was beland. Hoewel hij zijn ogen wijd open had, zou hij niet meer bij kennis komen. Het duurde zeven, acht uur. Om vijf voor half zes in de middag blies hij zijn laatste adem uit. Het voelde als een opluchting. Het was eindelijk voorbij voor hem.”

Bas vertelt over de dagen daarna. De stilte in huis waar Henk lag opgebaard. Het verdriet. Ook nu nog, want Bas kan nog steeds niet accepteren dat hij op zijn 64ste –met nieuwe levensdoelen- de kans niet kreeg deze te verwezenlijken.

De kist. Van hun vader. De kist die Chris en Bas droegen, samen met hun moeder die over onuitputtelijke mentale krachten bleek te beschikken. Dat moment werd Bas te veel.

“Gek he. Maar ik associeer mijn vader voor altijd met die stropdas. Die knoopte hij altijd voor me. Ik heb het nooit zelf geleerd en ik wílde ik het ook niet leren. Tijdens mijn afscheidsspeech had ik de stropdas los om mijn nek hangen. Ik wist en beloofde hardop dat ik nooit meer een stropdas zou dragen. Ik houd woord.”

 

Dit lied werd gedraaid tijdens de uitvaart van Henk. Op de achtergrond hoort u ‘Het Schevenings Vissersvrouwenkoor’ waarvan Henks moeder, de oma van Bas, deel uit maakte.

 

***


Dank aan Bas, Mw. Janny Pronk-Heijnen en Daphne voor hun medewerking en openhartigheid bij het optekenen van het levensverhaal van Henk.

Mijn oprechte dank voor het vertrouwen.

 

De campagne van Bas ondersteunen? Dat kan middels een donatie op zijn Actiepagina.

De actiepagina van de auteur vindt u hier.

Namens alle (ex-)patiënten, namens alle familieleden en vrienden van Henk Pronk: hartelijk dank voor uw donatie!

 

 

Tagged under:

Spookrijden. Achteruit rijdend, met het verkeer mee. Geen paniek, want It's Life And Life Only. Windje tegen, de Brug op. Fietsen als een forel. Met een harslaag over mijn wortels. De B-kant van een singletje. En de terugweg. De schoonheid van verval. De Paus handje drukkend met Joop Zoetemelk. De film met de geruststellende gedachte aan de slechte afloop. De laatste lik pindakaas, Tammy Wynette op, Feyenoord nooit meer kampioen. En splinters, overal splinters. In onze gespleten stad. En Broes (tegen de kou). Meegezogen, vuistdiep, die trechter in. Hij. Zij. Wij. Spookrijders.

1 Reactie

  1. Raymonde Hendriks Antwoord

    Een prachtige hommage van een zoon aan zijn vader, ben ontroerd. Heerlijk om zo eerlijk te zijn. Het is zoals het was.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Log In or Sign Up