ZINGEN IN DE STORM DEEL 18 – Dag 2 verblijf Alpe d’Huez – Stilte voor de Storm

Alpe d’Huez, dinsdag 31 mei 2016

 

Welke vingers het precies zijn weet ik niet maar ze gaan diep. Duimen zitten erbij. En ik vermoed wat wijsvingers. Floep. Daar krijgt mijn hamstring een tik.

“Hahaha, dat voel je hè? Dat vind ik het leukst. Als ze gaan piepen.”

Met ‘ze’ bedoelt masseur Hans ‘ons’, deelnemers van Team Rotterdam Fund Racers. Naast me ligt Jorrit. Hij wordt gemasseerd door Erna.

“Eén uur vijftien”, zegt hij.

“Knap. En Norbert?”

“Eén uur zeventien…”

Het is stil. De stilte voor de storm. Dan begint-ie te lachen, Jorrit.

“Hahaha, hij was er ziek van die kale. Twee minuutjes langzamer…hahaha!”

Hans gaat verder, maar vooral dieper. Tot deze dinsdag 31 mei 2016 is er nog nooit iemand anders geweest dan Anita die aan mijn benen heeft gezeten. Hans heeft die bedenkelijke primeur.

“Ik ben vrijgezel, lekker hoor.”

Het is een antwoord op een vraag die ik niet heb meegekregen, laat staan van wie. Maar ik weet nu dat Hans vrijgezel is. Hans, de masseur met het uiterlijk van een oude rocker. Mooie zilvergrijze haren en een kek sikje. Je ziet hem zo met een gitaar langs Franse campings trekken om liedjes van Georges Brassens en Armand te vertolken. Niet van Boudewijn de Groot, want daarvoor neem ik Hans te serieus.

Ik mijmer.

Door het gat in de massagetafel staar ik omlaag. Ik sluit mijn ogen. Ik probeer het heden te plaatsen, wil de tijd vastgrijpen. Zoals je iets concreets als een banaan of een vulpen vastpakt.

Gisteren arriveerden we op Alpe d’Huez. De meiden trokken wit weg in de auto.

“Oh pap….”.

We waren pas bij bocht negentien. Ze waren ongevoelig voor mijn relativerende woorden. En terecht. Ik loog. De Alpe d’Huez laat zich niet relativeren. Het verdraagt geen grappen. De berg ís er en eist respect. Respect mag nooit angst worden.

De meiden ware doodstil toen we bovenaan de top van Alpe d’Huez het hotel hadden bereikt. Stilte voor de storm.

“Voel je dit?”

Hans’ duimen draaien zich in mijn knieholtes.

“Jaaaa….aaaah!…”

Mijn gedachten gaan terug naar eerder die middag. We hadden een lunchafspraak in “Auberge De La Forêt” in Auris en Oisans, een gehucht midden in de bergen.

‘Vanaf Bocht 15 richting la Garde. Andere weg is afgesloten’.

Dit appje bereikte mij vlak voor vertrek. Afzender Twan. Twan is de Alpe d’HuZesser die ik vorig jaar in hetzelfde hotel heb ontmoet. Zijn tranen worden altijd ingeleid door een trillende kin. Net als vorig jaar. Net als enkele maanden geleden in Rotterdam toen Twan en Margaret hun verhaal deelden over de Da Vinci robot die Twan deed genezen van prostaatkanker.

“Ik ben nu zes jaar schoon.”

Hij omhelst Anita, Fabienne, Estelle, mijn ouders, mij. Nieuwe vriendschappen ontstaan op de Alpe. Als je het vertrouwen in de mensheid verliest moet je Alpe d’HuZes ervaren. Die is van Anita. Ze straalde vanmiddag, in Auris.

“Hoe komt het dat wielrenners zo veel nederiger zijn dan voetballers?”

Dat vroeg ik Peter Winnen in februari dit jaar. Ik filmde hem voor de clip Zingen in de Storm. Ik zat tegenover mijn jeugdheld, in zijn huiskamer. Hij had koffie gezet. ‘Zwart’, zei ik. ‘Ah, een echte man’, had Peter geantwoord. Of misschien hóópte ik dat-ie dat zei.

“Dat komt door de bergen denk ik. De bergen maken je bescheiden. Dan weet de mens zijn plaats in de schepping.”

Deze omgeving is overweldigend – het natuurlijke bewijs van het gelijk van van Peter (ik mag Peter zeggen). Je zou Danny Blind een mailtje willen sturen met het advies met dat stelletje overbetaalde verwende kutkwallen naar de Alpe d’Huez te trekken. Als teambegeleider mag Johnny Heitinga mee. Hij zat gisteren in hetzelfde restaurant als wij. Ik beet net zolang op mijn lippen totdat ik bloed in de mond proefde. Maar sinds gisteren heeft Johnny (ik mag John zeggen) aan respect gewonnen omdat hij híer is. Op de Alpe. Om het leven te vieren. En om aandacht te vragen. Voor die kutziekte.

Toen we de Alpe na het bezoek in Auris weer op reden beschouwde ik de 21 bochten door de ogen van Monique, mijn dappere teamgenote, die nu onderweg is met een huurauto vanuit Montpellier. Ik zou haar donderdag hoogstpersoonlijk die berg op willen schreeuwen.

“Zo. Dit was ‘em.”

Hans wast zijn handen onder de kraan. In onschuld. Er kan nog een satanisch lachje af. Er is een volgende nieuwe vriendschap ontstaan.

“Hey Spookrijdartjûh!”

In de receptie ontmoet ik Bas en Daphne, de moeder van Bas, Martijn (alles Dikke), met zijn vriendin Annet.

Mijn kut Hagenezen zijn gearriveerd. We omhelzen elkaar. Niet lang daarna komt Abco binnen met zijn vrouw Annet en zoon Bram. Met mijn kut Hagenezen en Appie ‘der Blumenkaiser’ deelde ik de meeste trainingsuren de voorbije maanden. In de groepsapp die Bas ooit had aangemaakt om af te spreken voor het trainen, kunnen we thans onze schijtlollige stijve lullen grappen kwijt.

Mannen onder elkaar. Ze hebben niet veel nodig. Met niveauloze grappen over een zaadlozingen, schijten en beerputten komen ze elk jaargetijde door. Schoolreisjespoëzie van de onderste plank. Met de vrouwen erbij zetten we met zijn vieren onze hypocriete hoofddeksel op. Koorknaapjes zijn we dan die, zodra ze de kans krijgen, met een seksboekie op schoot al hun ellende uit hun gestel masturberen. En daar dan grappen over maken.

“Wat er ook is mensen. Vraag het me. Ik ben er voor júllie”.

Dit is chef d’équipe Dean van Rabobank die probeert de chaos nog wat te stroomlijnen maar hij verliest op punten. Dean moeten we ‘Deen’ noemen. Ik moet hier meer van weten. De zanger met een alcoholprobleem heette geen Deen Martin en de wielrenner Sean Kelly noemden we ook geen Seen Kelly. Kom ik eindelijk eens een Dean tegen, voor het eerst in mijn leven, moet ik hem Deen noemen. Wij verdienen beter en vooral Dean (‘Dien’ dus) verdient het.

Door de massagebeurt van Hans loop ik wat mank. Het valt Martijn gelukkig niet op. Martijn, de juwelier, met een bulderlach die tot in bocht 21 te horen moet zijn.

“Zo mooi man dit. Zo mooi…”

Als Martijn het donderdag droog houdt bij de finish, koop ik een seizoenkaart bij Ajax.

De twee deelnemende dames zijn er. Er is geen wapen tegen een vrouwenglimlach.

Daar staat advocate Esther, met een etmaal vertraging in haar bonige gestel. Maar geen Franse staking die haar eronder krijgt.  Ik houd haar afgetrainde lijf vast en maak een grap over haar Amsterdamtasje. De drie kruizen op het tasje verzegel ik met drie zoenen op haar konen.

Monique is gearriveerd. Ze ziet er moe uit. Ik durf haar niet te vragen naar haar eerste ervaringen van de Alpe. Niet nu. Ze zwijgt.

Sport verzustert.

Er wordt gelachen, beneden aan de bar. Ruuds gezin is compleet. Hij is vandaag 50 jaar geworden. Ruud glimt. Hij gaat aan kop in de fondsenwerving.

Ik word voorgesteld aan ouders en partners van teamgenoten. Ons team bestaat uit een onvoorstelbaar aantal Michielen, Michels, Michaels en Martijnen. Hilarisch als Abco iemand van hen wil aanschieten. Je hebt geen idee. Niemand heeft een idee. Zonder Abco is het leven maar een treurige aangelegenheid, daarvan raak ik steeds meer overtuigd.

Sport verbroedert.

We arriveren iets te laat in Restaurant ‘La Passe Montagne’ in het centrum van Alpe d’Huez.

“Hè hè, de Spookrijdert is er ook.”

Gelach.

Teamcaptain Norbert voert het woord. Het is doodstil in het restaurant. De Stilte voor de Storm, maar goed, pas nadát Norbert door een paar teamgenoten eraan herinnerd is dat hij op twee minuten is gereden door Jorrit. Er is niemand zo fanatiek en vooral zo competitief als Norbert. Niemand.

Er volgt applaus. Ik krijg niet alles mee van zijn toespraak. Woorden als respect en trots vallen. Dan wordt Ruud naar voren geroepen. Het Lang Zal Die Leven klinkt door ‘La Passe Montagne’. Afgetrainde magere koppies zingen Ruud toe. Hij voert nu het woord.

“…en dat allemaal om die klote ziekte de wereld uit de krijgen…bedankt allemaal…”

Applaus. Mijn moeder schiet vol.

We eten. Aangezien we in Auris al hebben gegeten is de lekkere trek weg. Er wordt gelachen aan een tafel. Waarschijnlijk mijn kut Hagenezen, maar die vallen buiten mijn gezichtsveld.

Op dit soort momenten heet ik Françoise Sagan welkom. Bonjour Tristesse. Ik houd de deur voor de droefheid open en geef haar een stoel. Geef haar wat te drinken. Praat met haar. De droefheid is zo’n gast die komt en gaat wanneer het haar uitkomt. Mij wordt nooit iets gevraagd. Terwijl ik het gevoel heb te tanken, zuigt ze me ondertussen helemaal leeg.

Tijdens Alpe d’HuZes wordt het leven gevierd. Tegelijkertijd eren wij diegene die de strijd moesten opgeven en staan wij stil bij diegene die nu, as we speak, aan het knokken zijn.

Mijn vader vertelt een verhaal over de marine. Dit-dit-dit-de-dat-dat-dat. Mijn vader was seiner.

Zes keer Alpe d’Huez is een streven, geen doel. Doel is geld. Geld, geld, geld. Die ziekte moet de wereld uit. De wereld uit. Weg ermee.

Ik lig in bed. Ik bid. Ik droom. Zwijgende donateurs komen tot leven.

Een grijze man masseert mijn billen.
Iemand aan de finish schildert een portret.
Er wordt gezongen.
Een lied over zweet. En aambeien.
Er wordt gelachen.
Wijn. Ja. Er wordt wijn gedronken.
Eén maal…andermaal….
Iemand masturbeert
in de bezemkast.
Danny Blind wordt voortgeduwd,
door Johnny Heitinga,
hij kan het niet op eigen kracht.
Alle Michielen, Michels, Michaels en Martijnen zitten aan één tafel.
Ze klaverjassen,
ééntje lacht hard.
Een rossige beroepsrenner, in Capri-Sonne shirt,
heeft koffie gezet.
Zwarte.
Een vader strikt een stropdas
Voor zijn zoon.
Een bergpad, éénbaans.
Je rijdt er vanzelf Spook.
Ik toeter in iedere bocht.
Ik kondig mijn aanwezigheid aan,
of mijn dood.
Er staat iemand met een stopwatch in de hand.
Onze tijd loopt.
We moeten omhoog.
Het laatste lied,
de wind trekt aan, het sneeuwt,
het stormt,
We zingen….hard…brullen nu
Niemand klapt.
Niemand kijkt.
We zijn geblinddoekt.
Allemaal zingend,
gevangen,
In de Storm.

 

-Pliep!-

Mijn iPhone.

Een appje. Ruud. Ik ben klaarwakker. Mijn hart bonkt in mijn keel.

—ik heb nog een leuke mededeling. Nee ik word niet weer vader. En nee…6x zit er echt niet in. Maar waar ik nooit op heb durven rekenen is het alsnog gebeurd dankzij een prachtige donatie van Anne van Alphen die de €20.000,00 op de kaart heeft gezet–

Direct daarna volgt in de andere privé app de mededeling dat de Blumenkaiser en de twee kut Hagenezen geheel poedelnaakt gereed liggen voor een massagebeurt met happy end in kamer 109. Of die kut metaalboer tijd en zin heeft.

Met een van-oor-tot-oor glimlach leg ik mijn iPhone op het nachtkastje en omarm ik de Stilte voor de Storm.

 

[Klik op de afbeelding voor een vergroting]


Vier het leven en help ons mee kanker de wereld uit te krijgen door een donatie op mijn actiepagina.

Namens ons allen hier op Alpe d’Huez: DANK!

 

Fotografie (incl. profielfoto) Fabienne Hendriks

 

Tagged under:

Spookrijden. Achteruit rijdend, met het verkeer mee. Geen paniek, want It's Life And Life Only. Windje tegen, de Brug op. Fietsen als een forel. Met een harslaag over mijn wortels. De B-kant van een singletje. En de terugweg. De schoonheid van verval. De Paus handje drukkend met Joop Zoetemelk. De film met de geruststellende gedachte aan de slechte afloop. De laatste lik pindakaas, Tammy Wynette op, Feyenoord nooit meer kampioen. En splinters, overal splinters. In onze gespleten stad. En Broes (tegen de kou). Meegezogen, vuistdiep, die trechter in. Hij. Zij. Wij. Spookrijders.

1 Reactie

  1. Monique Antwoord

    Weet je Marco, we vinden elkaar ook in de melancholie. Ik lees je blog, voel het gemis. Een mengeling van gemis, gemis van mijn zus, gemis van het team R’dam Fund Racers, gemis van de Alpe. Een traan rolt over mijn wang, en het is goed.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Log In or Sign Up