Stadsschilderijen – 6. Vader en Dochter

In de serie Stadsschilderijen wordt middels korte verhalen een beeld van Rotterdam in zijn alledaagse ogenschijnlijke eenvoud geschetst.

 

Ik ging in de stad een happie eten met mijn jongste dochter Estelle.

Onderweg naar de metro kon zij haar arm niet in de mijne steken, omdat ik bewust afstand had gehouden.

Iedere keer als ik me, zonder mevrouw de Spookrijdert, met een van mijn dochters in het publieke leven begeef, bekruipt me dat onbehaaglijke gevoel en vóel ik ze kijken. De mensen. Ouwe viezerik. Met zo’n jonge meid.

’Nee. Nee ja toch. Ja psies. Die lul. Godverdomme. Ja nee. Ja ja. Ja! Ja nee ik begrijp het ook nie joh!’

Op het perron volgden we een gesprek van een jonge vrouw die haar liefdesverdriet niet onder stoelen of banken stak, maar het haar smartphone toevertrouwde. Tranen liepen over haar wangen. Het schokte me. Niet zozeer haar verdriet, maar haar ongegeneerde geschreeuw dat echode tegen de smoezelige achterwanden van het metrostation.

Op een stoel voor ons zat een kale man. Hij droeg een smetteloos wit T-shirt en een joggingbroek die al eeuwen geleden afstand had genomen van zijn oorspronkelijke kleur. Vanwege het drukke gesprek waarin hij verwikkeld zat, had hij weinig aandacht voor zijn aangelijnde hond die de omgeving onrustig verkende en de lijn om de drie seconden onder hoogspanning zette.

‘Nee nee. Gaanie bai jouw. Bai mai. Geweun bai mai. Is goed. Is goed. Is goed. Is goed dan. Jo. Jo. Jo.’

Drie keer jo is scheepsrecht.

Hij droeg een zilveren kettinkje dat in zijn nek bleef hangen aan een wratje. Zijn kaken hingen laag. Hij had diepliggende ogen die uit waren op wraak. Zijn kromlopende gevechtshond, een foeilelijk maar oersterk beest, was gaan lijken op zijn baassie.

‘Dames en Heren. Ik kom u Jezus brengen.’

Ze was vlak voor Station Blaak opgestaan en sprak op bedeesde toon. Alsof ze zelf ook niet echt geloofde in haar boodschap. Het haar op haar hoofd was dun. Ze had een rond eivormig gezicht waaruit alle bloed was getrokken. Ze had alles weg van een lelijk kuikentje dat bij de eerste beste selectie door de eigen familie eruit gepleurd wordt.

Toen de metro vertrok, en wij op het perron stonden, stond de vrouw nog altijd rechtop. Niemand van de overgebleven reizigers schonk haar enige aandacht. Een man met zonnebril staarde naar buiten. Op de een of andere manier stond zijn verveelde blik in schril contrast met zijn indrukwekkende mullahbaard.

De metro schoot als een verlichte pijl het zwarte tunnelgat in.

Onder het eten spraken we over haar aanstaande studie. Over haar rijlessen. Over mijn aanstaande reis naar India. Over Bruce. Over Elvis. Ik moest een citaat van Bob Dylan drie keer herhalen.

‘Zeg eens een paar keer “pap”’, fluisterde ik.

‘Serieus?’

‘Ja.’

De vrouw in de metro had er beteuterd bij gekeken toen zij de wederkeer van de Messias aankondigde. Als een kind dat moet toezien hoe zijn beste vriend voor iemand anders heeft gekozen op het speelplein.

‘Eh…zal ik je een beetje salade voor je opscheppen…PAP?’, vroeg Estelle.

Mijn buurvrouw, een prachtige jonge vrouw in minirokje waaronder benen staken waaraan geen eind leek te komen, verslikte zich. Estelle had “pap” zó benadrukt dat het een tegengesteld effect had.

De ironie had gewonnen.

Uit de blik van mijn buurvrouw naar haar tafelgenoot (hij moest het ontgelden) kon ik haar walging aflezen. Hij keek teleurgesteld. Zonder dat hij en ik het wisten had ik zijn neukerij voor vanavond verpest. Hij moest aan de handkar.

Ik voelde me steeds ongemakkelijker worden.

‘Ach juffrouw,’ vroeg ik de goedlachse bediende wier neus en oren waren voorzien van piercings die haar bepaald niet ontsierden, ‘kunt u misschien een foto van ons maken? Zo vaak eet je niet met je dochter…’

‘Ja maar natuurlijk!’, antwoordde zij mijn verzoek dat gepaard ging met een vette “ja ja uw dochter…” knipoog.

‘Was het maar waar’, zei ik op het Binnenrotteplein vlak voor de Markthal. We liepen, gesterkt door het aangename flesje rood, nu gearmd door de stad.

‘Wat pap?’

We stonden stil en keken voor een moment dwars door de Markthal heen. De Markthal is de enige tunnel ter wereld die mooier is dan zijn begin en eind.

‘Dat Hij terugkomt. Zoals het lelijke kuikentje ons beloofde.’

 

 

 

Tagged under:

Spookrijden. Achteruit rijdend, met het verkeer mee. Geen paniek, want It's Life And Life Only. Windje tegen, de Brug op. Fietsen als een forel. Met een harslaag over mijn wortels. De B-kant van een singletje. En de terugweg. De schoonheid van verval. De Paus handje drukkend met Joop Zoetemelk. De film met de geruststellende gedachte aan de slechte afloop. De laatste lik pindakaas, Tammy Wynette op, Feyenoord nooit meer kampioen. En splinters, overal splinters. In onze gespleten stad. En Broes (tegen de kou). Meegezogen, vuistdiep, die trechter in. Hij. Zij. Wij. Spookrijders.

2 Reacties

  1. raymonde hendriks Antwoord

    Mooi hoor en ook herkenbaar, vraag maar aan je vader en je zus, zij gingen in een grijs verleden een centrifuge kopen. Ik weet niet meer waarom ik niet mee kon, maar je vader voelde zich toen net zo opgelaten en de woorden “voor je moeder” vielen herhaaldelijk. Zo herhaalt de geschiedenis zich.

  2. Monique Antwoord

    Vind ik zo mooi dat je dat doet Marco, een hapje eten met je dochter(s)! En ik weet dat het lastig voor je is, maar mensen bepalen echt zelf wat ze denken, al zegt Estelle 12x pap. Ik zou de gedachtenstromen alleen maar voeren, hahaha. Thanks voor dit (h)eerlijke inkijkje.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Log In or Sign Up