STADSSCHILDERIJEN – 2 Eenentwintig Woorden

In de serie Stadsschilderijen wordt middels korte verhalen een beeld van Rotterdam in zijn alledaagse ogenschijnlijke eenvoud geschetst.

 

Ik was te vroeg voor een afspraak in de stad. Om de tijd te doden bezocht ik Boekhandel Donner aan de Coolsingel.

Een jongeman met een Arabische achtergrond speelde te hard piano voor 30 stoeltjes waarvan er slechts twee bezet waren door een koppel op middelbare leeftijd. Tussen hen in hadden zij één stoel leeg gelaten.
De man had zijn benen over elkaar gevouwen en hield met duim en gekromde wijsvinger zijn kin vast. Zo behoorde je klassieke muziek te beluisteren (in openbare ruimte welteverstaan, want thuis dient zo’n onnatuurlijke pose natuurlijk geen enkel doel).

In mijn vergeefse zoektocht naar een nieuwe (vooral propere) uitgave van mijn favoriete roman allertijden Walging van Jean-Paul Sartre (ik ben in het bezit van een vergeelde versie die ik ooit in een uitverkoopbak van de centrale Bieb had gescoord, op pagina 64 zit een versteende neuskeutel) liep ik richting de afdeling Filosofie en stuitte ik op het boek De Woorden van Sartre dat als ondertitel Memoires van een mislukt wonderkind droeg.

En ik las.

“Omstreeks 1850 verklaarde een onderwijzer in de Elzas zich bereid kruidenier te worden, omdat hij gebukt ging onder zijn eigen kinderen.”

Ik sloeg het boek dicht, stopte het terug op de plank, pakte het weer, telde het aantal woorden (21), legde het weer terug, liep naar de plank met kookboeken omdat kookboeken nu eenmaal het verst van mij af staan. Vandaag letterlijk en figuurlijk.

Perplex bladerde ik door het kookboek Hollandse Klassiekers van Tjitze van der Dam en was nog altijd beduusd van de openingszin uit Sartres boek.

De zin was een verhaal op zich en miste gewoonweg níets. Het schrijven van één zo’n zin zou zo maar een einde kunnen maken aan de onrust, mijn onbescheiden vriend die mij de laatste decennia, nacht in nacht uit, uit mijn slaap weet te houden.

De man op leeftijd stond op, krabde opzichtig aan zijn kruis en liep van de piano weg waarop de jongeman met de Arabische achtergrond besloot om nóg nadrukkelijker te gaan spelen.

Dat de 21 woorden inhoudelijk zomaar op mij konden slaan (”Omstreeks 1989 verklaarde een schrijver uit Rotterdam zich bereid metaalhandelaar te worden, omdat hij gebukt ging onder zijn eigen angsten”), nam ik op de koop toe.

Met een verontrust barende mix van jaloezie, bewondering, verwondering en walging trok ik De Woorden van de plank en liep ik resoluut en huiverig naar de kassa. Resoluut, omdat het boek zo maar eens Walging zou kunnen gaan overtreffen. Huiverig, omdat het boek zo maar eens Walging zou kunnen gaan overtreffen.

Anders gezegd: zo’n boek die het begin of juist het einde van iets kan betekenen.

De jongeman met de Arabische achtergrond speelde nu zo hard piano, dat een latinoachtige jongeman met een baseball-cap bij de afdeling Psychologie zich schrikachtig omdraaide. Door deze plotseling manoeuvre liet hij een boek uit zijn handen vallen. Hij bukte om het op te rapen. Hij droeg geen sokken. Er zat een wondje op zijn enkel.

De man die net nog zo krampachtig probeerde de pianomuziek als De Denker van Rodin te ondergaan, had ik nu gespot bij de tijdschriften waar hij zich met dezelfde hand onder dezelfde kin blind staarde op een stel prachttieten op de cover van de Playboy.

‘Gebeurt wel vaker met die bankpassen van de ING. Effe wachten’, zei de verkoopster toen mijn kaart dienst weigerde. Mijn hart klopte in mijn keel want ik had geen cashgeld bij me en was dús afhankelijk van mijn bankpas. Morgen terugkomen was geen optie – dan zou De Woorden op zeker verkocht zijn aan een andere waarheidszoeker.

De kassière haalde met zichtbare tegenzin mijn kaart drie keer onder haar linker oksel. Rechts van mij rekende De Denker zijn Playboy af. Hij betaalde in contanten en ademde sneller dan hij handelde.

‘Probeer nog eens.’

Met een hoge piep was de transactie geslaagd en de wereld van zijn ondergang gered. Intens gelukkig liep ik met De Woorden naar buiten. De Coolsingel begroette mij op een andere manier dan een tiental minuten geleden.

Ik had besloten de nog resterende tijd door te brengen op een bankje in de zon op de Coolsingel om de vervolgzin te lezen (normaal gesproken heb ik een tyfushekel aan mensen die buiten opzichtig een boek lezen, maar de openingszin van De Woorden had de Coolsingel, zoals gezegd, anders gekleurd), toen mijn aandacht getrokken werd door twee Antillianen die elkaar met een gecompliceerd ritueel aan hand-, borst- en schouderopleggingen begroetten. De een droeg een zonnebril en had zijn haar toevertrouwd aan een elastische rastafarimuts die op zijn rug reikte tot aan zijn broekriem. De ander droeg een fluorescerend pak van de gemeente. Toen hij lachte telde ik drie gouden tanden. Ik wenste hem een zevenvoud ervan.

Gewapend met De Woorden in mijn ‘homotasje’ (zoals mijn gezinsleden en ikzelf mijn schoudertas plegen te noemen) ging ik kopje onder in het stadse leven van een late vrijdagmiddag en voelde ik me, zo kosmopolitisch wandelend, één worden met de tegels van de Lijnbaan, met de glazen toegangsdeur van het Hilton Rotterdam waar mijn afspraak plaatsvond, met de hotelconciërge die mij, tot mijn vreugde, in het Engels aansprak (en die ik blijmoedig in het Engels antwoordde) en met de drie stadsgenoten van zo-even die mij eraan hadden herinnerd dat een gouden-tanden-glimlach en de papieren belofte van een stel prachttieten wel eens meer levensgeluk zouden kunnen verschaffen dan een openingszin die 21 woorden telt.

Op de terugweg naar huis werd op metrostation Capelse Brug een zwaarlijvige Surinaamse vrouw met fiets de toegang tot de metro geweigerd op die typisch Rotterdamse manier die als een verbale rechtse directe aanvoelt.

Per Twitter meldde ik:

“Net in de metro door de speakert: ‘Ja hallo, jij met die fiets die net is ingestapt. Stapt d’r ’s uit. ’t Is spits’.

Ik telde 24 woorden, drie teveel, en dacht aan de ondertitel van de nieuwe literaire aanwinst in mijn homotasje: Memoires van een mislukt wonderkind.

Al was de stad vandaag glansrijk geslaagd, het woordje Mislukt bleef de rest van de avond in mijn hoofd hangen.

 

 

Tagged under:

Spookrijden. Achteruit rijdend, met het verkeer mee. Geen paniek, want It's Life And Life Only. Windje tegen, de Brug op. Fietsen als een forel. Met een harslaag over mijn wortels. De B-kant van een singletje. En de terugweg. De schoonheid van verval. De Paus handje drukkend met Joop Zoetemelk. De film met de geruststellende gedachte aan de slechte afloop. De laatste lik pindakaas, Tammy Wynette op, Feyenoord nooit meer kampioen. En splinters, overal splinters. In onze gespleten stad. En Broes (tegen de kou). Meegezogen, vuistdiep, die trechter in. Hij. Zij. Wij. Spookrijders.

3 Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Log In or Sign Up