DE VENTOUX KRONIEKEN / 10. De Man Waar Geen Kwaad In Zit

De man waar geen kwaad in zit is geen familie. Het is ook niet mijn beste vriend. Was het maar waar. Vriendschap is gebaat bij een wederzijds belang. Ik heb alles aan hem, hij niets aan mij.

De man waar geen kwaad in zit verving zo-even mijn achterbandje en nu poetst hij mijn fiets. Ik had er niet om gevraagd, maar sprak hem er wel over aan.

‘Dat hoeft toch niet. Doe ik wel.’

Het voelde alsof Willem van Hanegem mijn voetbalschoenen poetste.

‘Kleine moeite Marco. Zo gebeurd.’

De dag daarvoor had de man waar geen kwaad in zit mijn leven nog gered. Ik beklom de Mont Ventoux vanuit Malaucène, de kant van de duivel. Het was gruwelijk warm. De wind was in staking, net als de benen van Ruud.

‘Ga maar Mar. ‘k Zie je boven wel.’

Ik fietste alleen met Kees die overdwars op zijn fiets zat. Vanuit Bédoin had hij nog de betere benen, nu waren de rollen omgedraaid.

‘Ga maar Marco. Ik moet pissen.’

Ook die rollen zijn normaliter omgedraaid, omdat ik bekend sta als de pisser van de groep. Maar nu niet. Ik durfde niet te drinken, uit angst gaandeweg de klim met twee lege bidons komen te staan.

Ik liet de pissende Kees achter me en fietste alleen verder. Helemaal alleen. Ook de mechanicien, de man waar geen kwaad in zit, was nergens te bekennen. Hij had tot nog toe steeds in mijn of onze buurt gereden. Hij had vanuit de auto af en toe naar me geknikt.

‘Als je Malaucène haalt, haal je Solt ook’, had de man waar geen kwaad in zit gezegd. Hij was de enige van de groep die ongestraft Solt mocht zeggen. ‘Denk aan die premie Marco’, had hij eraan toegevoegd. Hij refereerde aan de toezegging van de man met het zilvergrijze haar. Vijfhonderd euro de man voor drie beklimmingen. Alles voor de Rotterdam Fund Racers, alles voor het KWF.

‘Je kunt het kanjer.’

Daarna werd het stil en waande ik me in een fata morgana. Alsof ik met een hap Saharazand in mijn muil moest fietsen. Ik fietste zo hemeltergend langzaam dat mijn Garmin bijkans dienst weigerde. Onder de vijf kilometer per uur houdt ie ermee op, zo heeft iemand hem ooit ingesteld. ‘Is goed voor je gemiddelde bij een stoplicht en zo’, had die iemand gezegd ervanuit gaande dat ik altijd harder dan vijf kilometer per uur zou fietsen.

Die iemand heeft nog nooit de Mont Ventoux beklommen vanuit Malaucène.

‘Godverdomme…. vuiletyfusteringberg…’, vloekte ik mezelf in een wurggreep. God straft altijd. Hij staat bekend om Zijn onfeilbare timing. Net als de timing van de man waar geen kwaad in zit, want precies in de flauwe bocht naar rechts, waar het naar 12% steeg, dook hij ineens op. Vinod stond naast hem. Hij maakte foto’s. De man waar geen kwaad in zit leunde tegen het portier van de blauwe volgauto en zag mij zwalken over de weg.

‘Jezus…. gaat het?’, vroeg hij.

‘Man man… ik ben verrot…. drinken… drinken….’, mompelde ik. Ik was Robinson Crusoë én Vrijdag ineen.

De man waar geen kwaad in zit vulde drie keer achtereen mijn bidon met bronwater. Tijdens het drinken liet ik een boer, liet ik ter verkoeling wat water over mijn koersshirt stromen en liet ik (niet zonder risico) een enorme scheet die tot in de verre verte gehoord moet zijn geweest.

Ik kon wel janken – daarna kon ik hem wel zoenen, de man waar geen kwaad in zit.

Dat was gisteren en nu is nu en nu poetste de man waar geen kwaad in zit mijn racefiets.

Tot overmaat van ramp kwam de Joop, de allergrootste, naast ons staan. Hij zag het stilleven wat sceptisch aan, zoals mensen in een museum naar een kunstwerk kijken waarvan ze niet weten of ze het mooi of wanstaltig moeten vinden.

Ik kon wel door de grond zakken.

De setting klopte niet, het decor evenmin. Dit was de straf van de Lieve Heer voor mijn gevloek gisteren op de Mont Ventoux. Gêne is de enige gemoedstoestand waartegen geen kruit gewassen is. Zelfs geen gebed om vergeving.

‘Mooie fiets’, zei Joop.

‘Zo…. ook weer gepiept’, zei de man waar geen kwaad in zit.

‘Dank Arthur’, antwoordde ik met een kop vol schaamte.

In de ene hand hield ik mijn fiets vast, in de andere mijn ziel die onder mijn armen vandaan probeerde te komen. De reis van de mecanicienswagen naar het perceel waar de fietsen stonden gestald ervoer ik als een lijdensweg die nog meer pijn deed dan de beklimming van de Mont Ventoux vanuit Malaucène van gisteren.

Oud-wereldkampioen en voormalig Tour de France winnaar Joop Zoetemelk en Nederlands Kampioen Wielrennen Anno 2004 Arthur Farenhout liepen zwijgend met me mee.

 

 

 

 

 

Tagged under:

Spookrijden. Achteruit rijdend, met het verkeer mee. Geen paniek, want It's Life And Life Only. Windje tegen, de Brug op. Fietsen als een forel. Met een harslaag over mijn wortels. De B-kant van een singletje. En de terugweg. De schoonheid van verval. De Paus handje drukkend met Joop Zoetemelk. De film met de geruststellende gedachte aan de slechte afloop. De laatste lik pindakaas, Tammy Wynette op, Feyenoord nooit meer kampioen. En splinters, overal splinters. In onze gespleten stad. En Broes (tegen de kou). Meegezogen, vuistdiep, die trechter in. Hij. Zij. Wij. Spookrijders.

3 Reacties

  1. Raymonde Hendriks ra Antwoord

    Wat een werk wordt er verzet door de materiaalmannen, de wielrenners maken er dankbaar gebruik van en de resultaten waren er ook naar. Hulde voor iedereen.

  2. Monikie Antwoord

    Precies!! Zonder Arthur en ook Erwin zijn de reisjes van Koers is Koers niet mogelijk! Wat hebben die hard moeten bikkelen zeg, ongelofelijk. Helemaal op de dag van de wissel, 50 fietsen prepareren om de dozen in te gaan en 50 fietsen prepareren voor de groep die ’s avonds zou arriveren. De opmerking “kleine moeite, zo gebeurd” is wat mij betreft typerend voor Arthur. Thanks!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Log In or Sign Up