Dag 4 / Etappe 1 – Jay Babari!

Udaipur-Kumbhalgarh-Ranakpur (167 km)

Donderdag, 30 augustus 2018

‘Let’s reach the hotel before it gets dark’, zegt Chris bij wijze van grap als we worden opgehouden door het zoveelste fotomomentje van onze Indiase fietsvrienden. Dat gaat als volgt: twee mannen poseren voor een foto. Een derde komt aanrennen ‘wait wait wait!’ (in India gelooft men in de kracht van de herhaling, ‘we don’t want to leave any room for misunderstanding’). Nummer drie gaat op de foto. Hetzelfde patroon herhaalt zich nog een keer of zestien. Zeventien identieke foto’s worden gemaakt. De pracht van de achtergrond (een meer, een bergwand, een waterval, een tempel) wordt gekaapt door grijzende Indiërs. Jay Babari!

Chris dacht een onschuldig grapje te hebben gemaakt, ik ook in alle eerlijkheid, niet wetende wat er de rest van de dag zou volgen.

De dag was even onschuldig begonnen als het grapje van Chris. We vertrokken in alle vroegte van het Ramisson Hotel in Udaipur waar de briefing grotendeels verloren ging door de drone die als een buitenaards insect boven de deelnemers zoemde. We maakten een rustige tocht door de stad, langs het schitterende Lake Fateh Sagar van Udaipur. Hier werd in 1983 de James Bond film Octopussy opgenomen. Niets wijst erop dat Roger Moore een groot wielrenliefhebber was. 

Niet nieuw voor me is fietsen op de snelweg in India. Simpel. Links fietsen en rechts worden ingehaald door two-Wheelers, riksja’s, auto’s, vrachtwagens, tractoren. Je ontwijkt overstekend verkeer. Koeien. Buffalo’s. Geiten. Honden. Kinderen. Vrouwen met bergen hooi op hun hoofd. Niets nieuws.

Toch vond vandaag een primeur plaats: een pelotonsprint over een afstand van 5 kilometer met puntenverdeling. Een soort groene trui klassement. Ik had al snel besloten niet deel te nemen aan deze sprint die de benen doorgaans verschrikkelijk opblazen, terwijl er nog een tijdrit in het vooruitzicht lag van 27 kilometer waarna nog een dikke 100 kilometer moesten worden afgelegd. Het bleek een goede keuze. De kans op winst was sowieso nihil door de aanwezigheid van enkele jonge, griezelig afgetrainde semi-professionele renners. In de vijf kilometers die als sprint waren bedoeld raapte ik de ene na andere renner op die in de vaart der volkeren voor zijn eigen kans dacht te kunnen gaan. Maar naïviteit kent zijn prijs.

Het parcours van de daarop volgende tijdrit (in India CS, Competitive Segment, genoemd) was mij bekend. We reden vorig jaar dezelfde route in omgekeerde richting. Ik wist dat dit mijn terrein was om de concurrentie alvast op achterstand te zetten. De tegenstand was de voorgaande twee edities, met alle respect, niet sterk genoeg in de veteranenklasse hetgeen mij toen deed besluiten om mezelf te meten met die afgetrainde klimgeitjes van rond de 20. Deze 2018 3ditie lag het niveau hoger, want er hadden zich vanuit alle uithoeken van India renners ingeschreven waaronder meerdere “ironmen”, triatleten dus. Sportmannen met minder fietservaring, maar met een enorme motor en dito longinhoud. Indiërs zijn dol op extreme duursporten.

Ik zweefde als een bezetene over de glooiende wegen die een stijging- en dalingspercentage kennen van 3 tot 5%. Ik liet mezelf als een steen van de heuvels rollen, met de woorden van de gelijknamige klassieker van Bob Dylan als mijn brandstof en ik gebruikte de snelheid en power om de volgende heuvel full-speed te kunnen nemen. 

Ik genoot, wonderbaarlijk genoeg. Normaliter geniet ik van de pijn, om die vervolgens te vervloeken, om dan te besluiten om echt nooit meer mijn fiets aan te raken. 

Waar fietsgenot zit hem in de pijn. Het heilige paradox zij geprezen. De duivelse macht op de pedalen om de hemelse pijn te kunnen verdragen geeft een onoverwinnelijk gevoel. Uiteindelijk is fietsen bedoeld om jezelf te bedonderen. Om pijn uit te lachen. Om pijn te ontkennen. Je benen staan in brand, je longen schreeuwen om zuurstof, maar je mond is te klein en je luchtwegen zijn bekneld. 

Ik vloog langs koeien, schapen, geiten, plattelandskinderen, wereldvreemde boeren, schurftige straathonden. Vinod reed achter me. Hij toeterde schoolkinderen en gedierte van de weg. Bij iedere toeter fietste ik harder. En harder. En ging ik dieper. En dieper. Ik omzeilde gaten in de weg alsof ik een computergame speelde. Bij snelheidsdrempels trok ik mijn stuur op met de behendigheid van een veldrijder. Ik rook de strontlucht van de buffalo’s, ik ontweek ternauwernood de staart van een ezel. 

Totaal uitgewoond wierp ik mijn fiets over de finishlijn. Het zweet droop van mijn kop en liep via mijn wenkbrauwen mijn ogen in. ‘Superb’, hoorde ik Vinod zeggen. Hij legde zijn hand op mijn rug waarachter mijn longen uit alle macht probeerden mijn ruggengraat te knakken. Na mijn ruggengraat zou mijn wil volgen, wist ik uit ervaring. Dat nooit. Ik geef niets om winst op anderen. Ik wil alleen van mijzelf winnen.

Hermant keek mij zwijgend aan. Blanke man hangt uitgewoond over zijn fiets. Er zoemen strontvliegen om zijn zwetende kop. Wellicht moet hij kotsen. Hij gaat nu naast een oude man staan. De man draagt een stapel hotellakens als hoofddeksel op zijn hoofd.

 

Na de tijdrit vervolgden we onze weg met een groepje gelijkgestemden. Het groepje bestond uit Aman, een 18 jarige in Engeland studerende knaap. Chris, de in Calcutta werkzame en woonachtige hersenchirurg. DM, een 45-jarige man uit Ahmedabad die als fietscoach de heren fietsers fietstips geeft. CP, de man van wie ik de voorgaande edities de fiets leende en nog enkele renners die ik niet kende.

‘Are we sure this is the right way?’, vroeg Chris op die typisch Britse onderkoelde manier toen we een stadje inreden waar complete chaos heerste. Een bus stond overdwars geparkeerd op een verkeersplein, omstanders schreeuwden, een auto perste zijn auto muurvast tussen de bus en een muurtje, talloze two-Wheeler kwamen op volle snelheid aangereden om pas op het allerlaatste moment te remmen. Uit de bus staken de wezenloze hoofden van mensen die of de hitte van de bus niet verdragen konden of nieuwsgierig waren naar die mensen in rare pakjes op rare fietsen.

Alles met een motor toeterde, het klonk hard, schel, dwingend, afkeurend, corrigerend. Wij gingen in en uit onze pedalen, hobbelden over de gaten in weg, ontweken een koe met enorme horens die net was opgestaan, we vielen tientallen keren net niet.

Het fort van Kumbalgargh was de bestemming waar een eenvoudige lunch zou worden genuttigd. De wegen werden slechter en slechter, de heuvels waren even pittig als talrijk. We gingen op. Af. Op. Af. Honderden, duizenden pelgrims liepen langs de weg. Regelmatig doken er kampementen op waar de pelgrims konden eten, slapen en drinken. Overal klonk blikkerige Hindimuziek, opzwepend, zangerig, zich in bochten wringende klanken. We werden uitgenodigd thee te drinken. We werden aangeraakt met hun vlaggenstokken waaraan kleurige vaandels hingen. Mijn ogen konden niets meer registreren, mijn hersens konden niets meer ordentelijk verwerken. De computer was gecrasht. Kleuren. Geluiden. Beelden. Beesten. Mensen. Valkuilen.

De heuvels eisten het maximale van onze benen. Het ging van 8 naar 10 naar 14% omhoog. De zon weigerde te schijnen. De wind weigerde dienst. God liet ons fietsen door een zuurstofloze magnetron. Iets schoot weg in de berm. Een slang? Rat? Hagedis? Het onheilspellende gekrijs van duizenden vleermuizen die zich in de bomen langs deze weg hadden verstopt. De two-Wheelers schoten langs ons. Ze droegen vaandels en schreeuwden: JAY BABARI, JAY BABARI! 

Het ging omlaag. De jonge Aman reed voorop. Ik reed 50 meter achter hem. Toen gebeurde het. Zoals altijd in een split second. Vallen gebeurt nooit in slowmotion. Een val kondigt zich nooit aan. Het gebeurt en is even echt als een stuk brood.

In een scherpe bocht naar rechts ging de arme Aman hard onderuit. Er lag een reep zand midden op de weg die de jonge student niet had gezien. Daar lag hij. In de bosjes, verstrengeld met zijn fiets. Ik kneep onmiddellijk in de remmen en legde mijn fiets in de berm van de weg. Uit zijn armen en benen liep bloed. Ik hield zijn hoofd vast en keek in zijn ogen. Hij zag bleek en keek even wazig als de gemiddelde hier woonachtige ongeletterde dorpelingen. ‘Take it easy buddy, you’re OK.’

Ik stond versteld van mijn eigen kalmte.

Zijn been zat klem in zijn frame. Langzaam en voorzichtig schoof ik zijn fiets onder hem vandaan. Een andere renner die ik niet kende was intussen ook gestopt. Hij zei ‘oh my God’ en stond stokstijf naast me. Ondertussen probeerde ik een emergency berichtje te WhatsAppen maar er was in dit onbevolkte gebied geen bereik. Na enkele minuten kwam Chris naar beneden gefietst. We schreeuwden naar hem en gebaarden met neerwaarts gebarende handpalmen dat hij vaart moest minderen. In de volgende minuten stopte Vinod – hij had een ambulance weten te bereiken. Voorzichtig liet Aman zich verzorgen. ‘He is fainting fainting fainting!, riep Vinod die gelooft in de kracht van de herhaling. Aman zakte in elkaar als een lek waterbed. Chris sommeerde het personeel om Aman op zijn rug te leggen en zijn benen te lichten. 

Valpartijen horen bij wielrennen, zo heet het. Dat maakt wielrennen de ultieme kutsport.

De lunch in de buurt van het fort van Kumbalgargh bestond uit iets met rijst en een “white sauce pasta” die niet te eten was vanwege het gebrek aan temperatuur, smaak en structuur. Het deed me haast kotsen. Chris bestelde twee ijskoude cola’s en ketchup om de pasta iets op te leuken qua kleur en smaak. Het hielp. Ik wist dat ik móest eten – er moesten nog 80 kilometer worden gefietst. Een hongerklop lag op de loer als een valse kat in de hoek van een kamer. We plasten in het onfrisse toilet van het restaurant en spraken af vanaf nu af aan alleen nog maar in de open vrije natuur te plassen.

‘Let’s reach the hotel before it gets dark’, zegt Chris, maar dit keer serieus. Hij heeft Aman en zijn vader die met ons meerijdt geadviseerd om niet meer door te rijden, maar de lunch heeft Aman blijkbaar goed gedaan. Hij rijdt weer. Zijn benen en armen zijn in het verband verpakt. Zijn 36-shirt is gehavend, zijn linkerheup ligt open maar hij fietst. 

Het wordt in de loop van de middag alleen maar drukker. De pelgrims komen van alle kanten tegelijk. Alles en iedereen toetert. Ik begin mijn geduld te verliezen maar ik weet dat mijn trouwe metgezel ergernis me nu niet zal helpen. Integendeel. ‘Stay with me and no more risks’, had ik Aman gezegd die zwijgend had geknikt. Pelgrims zwaaien met vlaggen die met moeite te ontwijken zijn. Kinderen snellen naar buiten als ze die vreemde mannen op die rare fietsen zien…’bye! Bye bye!, roepen ze. Jay Babari!

Naarmate het drukker wordt, lijken ook de wegen slechter en slechter te worden. Tientallen kilometers lang rijden we over kuilen, gaten, weggeslagen stukken asfalt, plassen en snelheiddrempels. De moesson heeft huisgehouden. Goede stukken weg zijn deels compleet weggeslagen, en het verdampte regenwater heeft zand en modder als testament achtergelaten. 

De pijn dreunt door in mijn polsen. Mijn handpalmen zien vuurrood omdat de breedte van mijn stuur niet geschikt is voor mijn handen. Ik moet te veel kracht zetten om alle klappen op te kunnen vangen. Uren gaan voorbij. We mogen niet stoppen, want fietsen in het donker in dit gekkenhuis is onverantwoord. Waarom was dit avontuur ook al weer zo leuk? 

Dan begint de lange afdaling van 8 kilometer waarvoor al gewaarschuwd was door racedirector Mirza, een 28-jarige man uit Mumbai. We moeten volop in de remmen omdat de weg bezaaid is met pelgrims die de berg op- en afgaan. Ik had eerder deze dag gevraagd aan DM wat de bestemming was van de pelgrims maar er volgde geen eenduidig antwoord. Het is typisch India. Op de vraag ‘do you know Calcutta?’ van Chris antwoordde Vinod letterlijk ‘yes, no not really’. Hij knipperde niet een keer.

‘This is the first time in my life that uphill probably goes faster than downhill’, zei ik. Het was geen grap. Ik had nog nooit een file meegemaakt in een afdaling van een berg veroorzaakt door pelgrims op ieder denkbaar voertuig. Ze zaten in tientallen op tractoren die in bochten vast kwamen te zitten met vrachtwagens en bussen die in tegengestelde richting reden. Chauffeurs toeterden, de zinloosheid speelde een spannende wedstrijd met de chaos. Er was geen winnaar. 

Remmen! Afwachten… nu! Inhalen, rechts langs die vrachtwagen en dan volle bak omlaag de berg af. De stress. De hitte. De geur. De bromvliegen. Een karkas van een dode hond. De palmbomen. Troep langs de weg. Twee pelgrims slapen met open mond. Een two-Wheeler passeert me rakelings. ‘Fuck you!’, schreeuw ik. Remmen! Een koe. Midden op de weg. Hij kijkt dromerig. Draait zijn horens naar me toe. Langzaam. Als een slowmotion. Waar kan ik heen? Een gat in de weg. Mijn blaar trekt. Links een riksja. Rijdt te langzaam. Kan ik er langs of raak ik dan de koe? Wat gaat de koe doen? Het lijkt op de afsluitende scène van een spaghettiwestern. Het is hij of ik. Ik kijk de koe recht in de ogen. Word ik hier gestraft voor mijn carnivorisme?

We hebben het hotel bereikt. Als we rechtsaf slaan, valt Aman nog maar eens op de oprijlaan van het hotel in Ranakhpur. Vermoeidheid. ‘It’s in my head now’, zegt hij. Niet dat ie op zijn kop is gevallen, maar hij bedoelt dat hij bevangen is door angst.

Angst is een uitvinding van God, wielrennen van de duivel.

Chris en ik zitten aan een biertje bij het zwembad. We stinken van alle kanten want onze bagage is nog niet gearriveerd. Een van onze twee vrachtwagens staat vast in de file bergaf, de koffers zullen worden overgeladen in personenauto’s, zo wordt gemeld in de groepsapp. Het begint al wat te schemeren. Ik sla een mug van mijn rechterkuit. We appen het thuisfront dat we veilig zijn aangekomen. “Nee niets geks voor de rest”, klinkt de leugen om bestwil.

Een voor een druppelen de renners binnen. Totaal kapot maar tevreden. Klagen is immers een westerse aangelegenheid.

“Sixteen riders are swept”, meldt de organisatie in de groepsapp. Ze moeten de bezemwagen in en zullen zich even oncomfortabel als de overgeladen koffers voelen.

‘What the hell was this today?’, vraagt Chris die alleen nog maar kan staren omdat de vermoeidheid hem belet te kijken. 

‘I have no idea my friend’, antwoord ik, ‘but for some reason I had the time of my life…’

’Yep me too in some funny way hahaha… JAY BABARI!’

 

 

 

 

Spookrijden. Achteruit rijdend, met het verkeer mee. Geen paniek, want It's Life And Life Only. Windje tegen, de Brug op. Fietsen als een forel. Met een harslaag over mijn wortels. De B-kant van een singletje. En de terugweg. De schoonheid van verval. De Paus handje drukkend met Joop Zoetemelk. De film met de geruststellende gedachte aan de slechte afloop. De laatste lik pindakaas, Tammy Wynette op, Feyenoord nooit meer kampioen. En splinters, overal splinters. In onze gespleten stad. En Broes (tegen de kou). Meegezogen, vuistdiep, die trechter in. Hij. Zij. Wij. Spookrijders.

1 Reactie

  1. Raymonde Hendriks Antwoord

    Jay Babari, oftewel gekkenhuis in India, het is niet te bevatten dat er onder bizarre omstandigheden gefietst moest worden met ook nog wedstrijd elementen erin. Maar het is ook zo anders dan fietsen in Europa, dat het ook weer kan bekoren, de natuur, de bevolking, de dieren onderweg en als vooruitzicht dat je aan het einde van de dag een hotel kan binnenstappen om je heerlijk te douchen, een hapje te eten enz. en dat lijkt dan weer wel op Europa. Genoten van het verslag en gelukkig alles voor jou goed gegaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Log In or Sign Up