We rijden door De Kempen, tegen de Nederlandse grens aan. We gaan een woning bekijken als tijdelijke vervanging voor ons huis dat verbouwd moet worden.

A. vertelt dat haar grootvader van moeders kant uit deze streek kwam. En ook dat ze hem nooit gekend heeft en maar weinig van hem weet.

Vergeten levens… Omdat de getuigen gestorven zijn of de overlevenden, in beslag genomen door hun dagelijkse besognes, niet meer aan hen denken. Of hun eertijdse aanwezigheid vanwege oude vetes verzwijgen. Of die het van horen zeggen hebben en door het gebrek aan een persoonlijke band niet de behoefte voelen de nagedachtenis in ere te houden. Vergeten levens, altijd hangt er samen met de melancholie een prikkelende geheimzinnigheid omheen. Wie waren die mensen? Wat deden ze? Hoe is het  ze vergaan?

Ik begin door te vragen en dan blijkt ze via haar moeder toch nog behoorlijk wat over haar grootvader te weten. Jos heette hij, de jongste zoon van een boerenfamilie met elf kinderen. Als jongen was hij naar Antwerpen getrokken om in de haven te gaan werken en al snel zeeman geworden. Stoker op de wilde vaart.

Nu wordt mijn nieuwsgierigheid pas goed gewekt. Mijn romantische aard voelt zich gevleid door het idee dat mijn vriendin de kleindochter is van een Antwerpse zeeman en ik vraag me me af of ze dat nieuwsgierige, eigenzinnige, die spontane levenslust en die bij tijden rauwe emotionaliteit van hem heeft.

Na enig rekenwerk komen we erachter dat hij eind jaren twintig getrouwd moet zijn. Met een zekere Maria. Samen kregen ze twee dochters. Maria had aan een operatie een stijf been overgehouden en bleek ook nog eens een ongeneselijke nierziekte te hebben, waardoor ze niet voor haar kinderen kon zorgen. Omdat Jos meestal op zee zat werden de kinderen in pleeggezinnen, instellingen en op kostscholen geplaatst.

Toen de oorlog uitbrak bevond hij zich ergens in het Verre Oosten. Daar loopt het spoor dood. Er kwamen geen berichten meer en ook na de oorlog kwam hij niet opdagen. Omdat er geen officieel doodsbericht was, werd hij als vermist op gegeven. Niemand verwachtte hem ooit nog in levende lijve terug te zien, totdat hij twee jaar na de oorlog plotseling opdook. Zijn vrouw was inmiddels aan haar nierziekte bezweken.

Had ze nog aan haar man gedacht in haar laatste uren? Gevoeld hoe vreemd het kon lopen? Gehuild dat ze hem nooit meer had gezien?

Waar had hij gezeten? Wat had hij gedaan? De liefde? Het Oosten? Een zwervend bestaan? Niemand die er ooit achter is gekomen. Wel vond hij in Antwerpen een nieuwe vrouw, Rosa, de zus van een vriend en een piekfijne dame, die de twee kamers die ze als woning hadden goed op orde hield. Jos was als havenarbeider aan de slag gegaan, zakken sjouwen, gewoon op de schouder, zo ging dat in die tijd. De moeder van A., die inmiddels weer bij haar vader was komen wonen, had verteld dat er altijd een pan water op het fornuis stond te dampen voor als vader zwart van het kolengruis uit de haven kwam. Dan moest ze de straat op en ging hij in de teil.

Maar het zeevuur was nog niet in hem gedoofd. Eens in de zoveel tijd moest en zou hij aanmonsteren, daar was geen kruid tegen gewassen, en was hij voor minstens zes maanden vertrokken. Als reactie op zijn vaarhonger scheen er gelanceerd door Rosa nogal eens  een koffiepot door de kamer gevlogen te zijn, maar voor de rest was het huwelijk goed geweest.

Eén keer was de moeder van A. haar vader van het schip gaan halen. Dat had een enorme indruk gemaakt. Zo’n smerigheid als daar aan boord had ze nog nooit gezien. En hoe die mannen sliepen: tegen de stalen scheepswand in gescheurde hangmatten boven elkaar.

En drinken natuurlijk. In die tijd was de kaai één lange rij cafés en ging, tot verdriet van de vrouwen thuis, bijna het hele weekloon er in één avond doorheen. Daar was ook geen kruid tegen gewassen. Tot hij van het jarenlange sjouwen en kolenscheppen last van zijn heupen kreeg en geopereerd moest worden. Toen werd het minder.

Hij was nog wel naar het huwelijksfeest van zijn dochter gekomen, maar had van een afstand staan toekijken en was snel weer vertrokken. Was er sprake geweest van standsverschil? Schaamte? Ruzie? Hoe het ook zij, daarna had ze haar vader nooit meer gezien. Alleen op zijn sterfbed nog.

In het ziekenhuis had ze een man aangetroffen die als gevolg van zijn door kolenstof aangetaste longen geen adem meer kon krijgen. Zoiets wilde ze nooit meer meemaken. Hoe die sterke man daar lag. Verschrikkelijk, dat gepiep, die strijd, dat gevecht om lucht. Ze was het ziekenhuis uit gevlucht en diezelfde nacht nog was hij gestorven. Tweeënzeventig jaar oud.

Bij de uitvaartplechtigheid was ze niet aanwezig geweest. Ze had alleen op de begraafplaats vanachter een boom naar het verstrooien van de as staan kijken. De familie had haar wel opgemerkt, maar niet gevraagd of ze met een van de auto’s mee terug naar de stad wilde. Ze had dat hele eind door de regen terug moeten lopen, want een bus reed er niet.

Dat was het.

Vergeten levens… Wat is de zin? Hij zal zijn plezier gehad hebben, zijn genot ook, zijn pijn en verdriet, zijn schaamte, zijn wrok, net als iedereen zijn grote en kleine momenten. Hard gewerkt in ieder geval, zijn plicht vervuld. De rest is de zeepbel van de filosofie. Leven lijkt niet tot doel te hebben om in de herinnering voort te bestaan, maar om het leven door te geven. Dat heeft hij dan goed gedaan, want zonder hem zou  A. mijn vriendin niet zijn. En zou mijn bestaan en dat van anderen minder waarde hebben.

En dat huis waar we naar op weg waren? Dat bleek toen we er na lang zoeken aankwamen al verhuurd te zijn.

 

 

 

-