We hebben hier in huis acht kamers, maar gebruiken er slechts twee. We kunnen ons er, ondanks nijpend ruimtegebrek, niet toe zetten de andere in gebruik te nemen. We hebben steeds iets te doen, zoals eten opwarmen, uitslapen, rekeningen betalen, televisie kijken, mails beantwoorden, bellen, computerproblemen oplossen, de stad ingaan en ons afvragen hoe we meer ruimte kunnen creëren.

In de voorkamer staan een bank en een televisie, in de achterkamer een bed en een computer. Dat is het.

Beneden is een berghok. Daar heb ik toen ik hier acht jaar geleden met mijn tandenborstel aankwam twee tafels in gezet.

Langzaam is het hok dichtgegroeid met mappen, boeken en cd’s, die in wankele stapels de vloer bedekken. Nooit kan ik iets vinden, zodat ik om me de tijdrovende moeite van het zoeken te besparen regelmatig een nieuw exemplaar van boek of cd aanschaf, waardoor de rommel nog groter wordt.

In het begin voelde ik me niet op mijn gemak tussen de desolate rotzooi in het hok, maar inmiddels sla ik er geen acht meer op en beschouw ik mijn onverschilligheid als een vorm van onthechting. Er gaan wel ergere dingen komen, hou ik me voor, en vroeg of laat moet je toch van alles afscheid nemen. Een aangename leefomgeving is de schijnzekerheid van de kleinburger, die zich rot zal schrikken als hij uiteindelijk oog in oog met de onafwendbare chaos komt te staan.

De wanorde in mijn omgeving geeft me het gevoel dat ik op doorreis ben. Ik ben niet gesetteld. Nooit geweest, besef ik nu. Op kostschool niet, in mijn studententijd niet, in mijn duistere periode niet en ook niet tijdens mijn meer dan twintig jaar durende relatie, die ik voornamelijk op mijn zolderkamer heb doorgebracht. Alsof ik altijd en overal op het punt heb gestaan te vertrekken.

De enige vaste punten in mijn hok zijn mijn gitaar, een stel kladblokken en een setje balpennen. Daar concentreer ik me op. Zodra ik aan een van de tafels zit, begin ik aantekeningen te maken, die ik vervolgens in een doos onder mijn tafel gooi om ze, na een strenge selectie, een keer per jaar, meestal rond kerstmis, onder het hoofd Kladboek in mijn laptop te zetten.

Deze filosofisch getinte notities gaan altijd over hetzelfde: wanhoop, leegte, verveling, verwarring, onzekerheid, absurditeit en de deels ontroerende, deels gruwelijke en walgelijke, deels verrukkende en betoverende manieren waarop de mens daaraan probeert te ontsnappen, kortom over de essentie van het bestaan.

Soms plak ik een stuk tekst tegen de muur, voor als ik hem nog eens wil gebruiken voor in een lied. Zoals deze bijvoorbeeld:

Over het plein loopt een meisje
Ze zwaait met een witte vlag
Vrijheid is een hallucinatie, zegt ze
Maar we hebben nooit beter gehad
Er staat geen tekst op het laken
Geen kreet van verlossing of pijn
Ze zegt dat we moeten luisteren
Dat de waarheid alles kan zijn

Terwijl ik de tekst sta te lezen, denk ik dat ik maar het beste meteen aan dat lied kan beginnen, anders komt het er misschien niet meer van. De zinnen hebben een simpel metrum, dat maakt dat de melodie er eigenlijk al in zit. Ik hoef maar een akkoord aan te slaan en de woorden beginnen al te zingen. Geen opzienbarende melodie, maar wel geschikt voor een lange ballade, heb ik zo het gevoel. Ik zou er mooi allerlei eigentijdse  misstanden in kunnen verwerken. Een Ballade Van Onze Tijd. Moet dan wel opletten dat ik niet met een paar honderd coupletten aan kom zeilen.

Het meisje met de vlag zou mooi het afsluitend couplet kunnen zijn. Van achter naar voren werken. De Jihad, de ego-cultus, de vercommercialiseerde cultuur, de wansmaak, de ethiek van grijpen en graaien, de verhuftering, het milieu… De hele zooi nog eens doornemen. Het helpt allemaal niks, maar het is goed je hart te luchten en misschien levert het wel een lied op waar mensen in het theater door geprikkeld worden, zodat het toch nog een zekere functie heeft, afgezien natuurlijk van de persoonlijke voldoening in de vorm van applaus en verkochte cd’s.

Het mist nog een refrein, besef ik als ik een stel coupletten gereed heb, een tussenstuk dat steeds terugkomt. Iets algemeens dat ondanks de willekeur van het kwaad en wars van het menselijke gehannes stug doorgaat.

En de wind jaagt door de wouden, het water slaat over de wal.
Allemaal gelukkig hier in de gouden rattenval.

Okee.

En dan zit ik alweer bijna vier uur in mijn hok. Volledig opgaand in het nummer. Heb niet eens gemerkt dat de tijd voorbijging. Misschien is dit wat ik onder geluk moet verstaan.

Ik ben heel lang onrustig geweest, voelde het leven altijd ergens anders. Tot ik ontdekte dat er maar één plaats was die ik echt de mijne kon noemen, waar ik  tot rust kwam en die, hoe vluchtig ook, bijna al mijn verlangens en dromen inloste. Een desolaat hok met een tafel, een stoel, een paar kladblokken, een setje balpennen en een gitaar.

 

 

-